ECLI:NL:RBDHA:2026:1178

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
09/181270-22
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot gevangenisstraf voor oplichting, witwassen en valsheid in geschrift met betrekking tot donaties voor onderzoek naar overheidsbeleid tijdens corona

De Rechtbank Den Haag heeft op 27 januari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, voor oplichting, witwassen en valsheid in geschrift. De verdachte had donaties, bedoeld voor onderzoek naar het overheidsbeleid tijdens de coronaperiode, misbruikt voor privé-uitgaven. De rechtbank oordeelde dat de verdachte een valse notariële akte had opgemaakt en dat hij een samenweefsel van verdichtsels had gecreëerd om donaties te verkrijgen. Ondanks dat de verdachte zich zonder raadsman had verdedigd, oordeelde de rechtbank dat er geen sprake was van een oneerlijk proces. De verdachte had herhaaldelijk de kans om juridische bijstand te zoeken, maar had dit nagelaten. De rechtbank vond dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan oplichting door een onjuiste voorstelling van zaken te geven over de besteding van de donaties. De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte samen met zijn dochter handelde en dat hij de donaties voor privédoeleinden had aangewend, wat in strijd was met de doelstellingen van de stichting die hij had opgericht. De rechtbank legde bijzondere voorwaarden op aan de voorwaardelijke straf, waaronder een verbod op betrokkenheid bij fondsenwerving, behalve voor persoonlijke uitgaven.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/181270-22
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 24 januari 2025 (regie), 13 mei 2025 en 13 januari 2026 (inhoudelijk).
Op de eerste regiezitting van 24 januari 2025 heeft de verdachte een preliminair verweer gevoerd en onderzoekswensen ingediend. De rechtbank heeft voornoemd verweer verworpen en de onderzoekswensen van de verdachte afgewezen. Hierop heeft de verdachte de rechtbank gewraakt. Dit wrakingsverzoek heeft de wrakingskamer van deze rechtbank op 13 februari 2025 afgewezen.
Op de zitting van 24 januari 2025 heeft de voorzitter het belang van rechtsbijstand benadrukt en de verdachte met klem geadviseerd om met de nodige voortvarendheid een raadsman te zoeken. Daarbij heeft de voorzitter te kennen gegeven dat de afwezigheid van juridische bijstand of een gebrek aan voorbereidingstijd voor een eventuele raadsman, geen reden zou zijn om de behandeling van de zaak verder aan te houden. Ook de officier van justitie heeft de verdachte er op gewezen dat het in zijn belang is om juridisch advies in te winnen en hem geadviseerd om bijstand van een raadsman in te roepen. De verdachte heeft tijdens deze regiezitting verklaard dat hij wel een advocaat heeft, maar dat hij deze alleen laat functioneren als juridisch adviseur. De verdachte heeft ook verklaard dat hij zichzelf wil vertegenwoordigen en dat hij de advocaat heeft gevraagd zich niet te stellen.
Op 16 april 2025 is op zijn verzoek een afschrift van het onderzoeksdossier aan de verdachte verstrekt.
Op de zitting van 13 mei 2025 heeft de verdachte wederom een preliminair verweer gevoerd, zijn eerder geuite onderzoekswensen herhaald, en een verzoek om aanhouding gedaan. De rechtbank heeft het preliminair verweer verworpen en de onderzoekswensen en het verzoek om aanhouding afgewezen. De verdachte heeft daarop de leden van de rechtbank opnieuw gewraakt. Dit wrakingsverzoek is op 16 juni 2025 door de wrakingskamer van deze rechtbank afgewezen, waarbij de wrakingskamer heeft geoordeeld dat er sprake was van misbruik van recht en heeft bepaald dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen.
Op de zitting van 13 mei 2025 is opnieuw het belang van rechtsbijstand door een raadsman onderstreept.
Op de terechtzitting van 13 januari 2026 heeft de verdachte opnieuw om aanhouding van de behandeling van de zaak verzocht, zodat hij zich alsnog kan laten bijstaan door een raadsman. Ook heeft hij opnieuw zijn onderzoekswens ingediend om een onafhankelijk accountant aan te stellen. De rechtbank heeft deze beide verzoeken afgewezen, waarna de zaak inhoudelijk is behandeld.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.J. van Drongelen en van wat door de verdachte naar voren is gebracht. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de door de officier van justitie aanhangig gemaakte ontnemingsvordering, die gelijktijdig met deze strafzaak is behandeld.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door mr. M.W.M. Souren namens de benadeelde partij Stichting [stichting] (hierna: Stichting [stichting] ) naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 13 januari 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleidende overwegingen over het recht op een eerlijk proces
De rechtbank ziet aanleiding om voorafgaand aan de beoordeling van de bewijsbeslissing, enkele inleidende overwegingen te wijden aan wat door de verdachte op de terechtzitting is aangevoerd over zijn recht op een eerlijk proces.
De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn recht op een eerlijk proces is geschonden, omdat – zo begrijpt de rechtbank – de rechtbank zijn verzoeken om aanhouding van de behandeling van de zaak, zodat hij alsnog juridische bijstand van een raadsman kan inroepen, alsmede zijn verzoeken om het aanstellen van een onafhankelijk accountant heeft afgewezen.
Onder verwijzing naar wat onder hoofdstuk 1 van dit vonnis is weergegeven over het verloop van het onderzoek op de terechtzitting, overweegt de rechtbank dat het de nadrukkelijke keuze van de verdachte is geweest om geen rechtsbijstand te zoeken en steeds zonder raadsman ter terechtzitting te verschijnen, in weerwil van de uitdrukkelijke adviezen van de officier van justitie en de rechtbank. De verdachte heeft bij herhaling te kennen gegeven – ook nadat het onderzoeksdossier was verstrekt – zich niet te willen laten vertegenwoordigen door een raadsman ter zitting. De verdachte is gewezen op de gevolgen van de keuze, en is vanaf de eerste zitting in deze zaak gewaarschuwd dat het niet of laat stellen van een raadsman niet in de weg zou staan aan een inhoudelijke behandeling van de zaak.
Uit de verklaringen van de verdachte op 13 januari 2026 blijkt dat de verdachte tussen de zitting van 13 mei 2025 en de inhoudelijke behandeling op 13 januari 2026 geen inspanningen heeft verricht om zich voorafgaand aan de zitting door een raadsman te laten bijstaan. De verdachte heeft tijdens de inhoudelijke behandeling verklaard dat hij het dossier – dat hij al negen maanden in bezit had – niet heeft bestudeerd en dat hij zonder enige voorbereiding naar de zitting is gekomen, waarna hij – ineens – tot het inzicht is gekomen dat de inhoud van de zaak hem overspoelt en dat het voor hem lastig is om zich zonder bijstand van een raadsman te verdedigen.
De rechtbank overweegt dat de verdachte herhaaldelijk en met klem is verzocht om zich tot een raadsman te wenden en daar ruimschoots de tijd en gelegenheid voor heeft gekregen. De verdachte heeft dat steeds – om hem moverende redenen – bewust en vrijwillig nagelaten. De rechtbank heeft zich er tijdens de zittingen van 24 januari 2025 en 13 mei 2025 telkens van vergewist dat verdachtes afstand van het recht op rechtsbijstand ondubbelzinnig en vrijwillig werd gedaan. Daarbij heeft de verdachte ruimschoots de tijd gehad om het dossier te bestuderen en de afweging te maken of hij al dan niet alsnog met een raadsman op de zitting zou verschijnen. De proceshouding van de verdachte lijkt daarbij ingegeven te zijn, zo blijkt onder andere uit de lichtvaardig en bij herhaling ingediende wrakingsverzoeken en het zonder nadere motivering opnieuw indienen van eerder afgewezen onderzoekswensen, door de wens het verloop van de strafzaak te frustreren. Gelet op de procesgang en de proceshouding van de verdachte, afgewogen tegen het belang dat gemoeid is met een voortvarende procedure en een afdoening van de strafzaak binnen een redelijke termijn, heeft de rechtbank het herhaalde verzoek van de verdachte om de behandeling van zijn zaak aan te houden, afgewezen.
Daarbij heeft de rechtbank niettemin, indachtig de positie van de niet van deskundige rechtsbijstand procederende verdachte, bij de behandeling ter zitting en bij de beoordeling van de door de verdachte gevoerde verdediging bijzondere aandacht besteed aan de positie van de verdachte.
Al met al, en gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, komt de rechtbank tot het oordeel dat niet gezegd kan worden dat het recht op een eerlijk proces van de verdachte is geschonden.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4 en 5 primair ten laste gelegde feiten.
Ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het exacte geldbedrag waarop de oplichting, respectievelijk de verduistering ziet, niet is vast te stellen. De officier van justitie acht daarom voor deze feiten het onderdeel “een geldbedrag” bewezen.
Ook heeft de officier van justitie ten aanzien van feit 3 gerekwireerd tot partiële vrijspraak van het onderdeel “in persoonlijke dienstbetrekking”.
Voor wat betreft het onder 4 tenlastegelegde acht de officier van justitie “enig misdrijf” bewezen.
Daarbij heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaringen wel kunnen worden gebruikt voor het bewijs, omdat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte geïntimideerd is en hij ook op bepaalde momenten in de procedure is bijgestaan door een advocaat.
3.3.
Het standpunt van de verdachte
De verdachte heeft zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat hem enkel kan worden verweten dat hij geen goede financiële administratie heeft gevoerd, maar dat hem geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat alle gelden die op naam van de stichting zijn ontvangen, ook volgens de doelstellingen van de stichting zijn besteed.
Verder heeft de verdachte zich op het standpunt gesteld dat zijn verklaringen bij de politie niet in vrijheid zijn afgelegd en onder druk van de verhorende politieagenten tot stand zijn gekomen en dat hij nagenoeg geen juridische bijstand heeft gehad van zijn raadsman, waardoor deze verklaringen niet mogen worden gebruikt voor het bewijs.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden omwille van de leesbaarheid in
bijlage IIvan dit vonnis opgenomen.
3.5.
Bewijsoverwegingen
3.5.1.
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde
Verklaringen niet in vrijheid afgelegd?
De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat zijn bekennende verklaringen bij de politie niet in vrijheid zijn afgelegd en onder druk van de verhorende politieagenten tot stand zijn gekomen. Ook heeft hij aangevoerd dat hij nagenoeg geen juridische bijstand heeft gehad van zijn raadsman. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de verdachte dat zijn verklaringen bij de politie moeten worden uitgesloten van het bewijs.
De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 7 maart 2023 blijkt dat de verdachte geïnformeerd is over zijn rechten en dat hem is meegedeeld dat het afstand doen van die rechten nadelige gevolgen kan hebben. De verdachte verklaarde geen gebruik te willen maken van verhoorbijstand. Als reden hiervoor gaf de verdachte aan dat hij niet wil dat het onderzoek zou vertragen. Gedurende het verhoor zei de verdachte desgevraagd nogmaals dat hij op dat moment geen behoefte had aan bijstand van een raadsman. Aan het eind van dit verhoor verklaarde de verdachte dat hij het verhoor goed vond verlopen, dat hij zich niet onder druk gezet voelde en dat hij naar eer en geweten heeft geantwoord. Na doorlezing van zijn verklaring heeft de verdachte enkele verklaringen aangevuld, die ook door de verbalisanten zijn geverbaliseerd, en het proces-verbaal ondertekend.
Op 8 maart 2023 werd de verdachte nogmaals verhoord. Uit het proces-verbaal van dit verhoor blijkt dat de verdachte ditmaal zei wel gebruik te willen maken van verhoorbijstand van een reeds toegewezen advocaat. De verdachte verklaarde aan het begin van het verhoor – in aanwezigheid van zijn advocaat – dat hij nergens op terug wilde komen. De raadsman heeft om 11:09 uur het verhoor verlaten in verband met andere werkzaamheden. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte geeft er evenwel geen blijk van dat de verdachte hier bezwaar tegen had of dat de verdachte opnieuw om juridische bijstand heeft verzocht. Aan het eind van het verhoor verklaarde de verdachte desgevraagd dat hij het verhoor moeilijker vond dan de dag ervoor, maar dat het verhoor ‘op een menselijke manier [is] verlopen’. Ook dit proces-verbaal is na doorlezing door de verdachte ondertekend.
Verder overweegt de rechtbank dat de verdachte heeft gepersisteerd bij zijn bekennende verklaring toen hij in het kader van de inbewaringstelling op 10 maart 2023 werd gehoord door de rechter-commissaris. Dit verhoor vond plaats in het bijzijn van een raadsman. Ook bij de raadkamer gevangenhouding van 22 maart 2023 persisteerde de verdachte – ten overstaan van drie rechters en in het bijzijn van zijn raadsman – bij zijn bekennende verklaring, betuigde hij spijt voor zijn daden en verklaarde hij zich diep te schamen.
Ten slotte overweegt de rechtbank dat de uit het reclasseringsadvies van 21 april 2023 volgt dat de verdachte ook ten overstaan van de reclasseringsmedewerkers een bekennende verklaring heeft afgelegd. Dit was weliswaar niet in het bijzijn van een advocaat, maar evenmin in het bijzijn van de verhoorders onder wiens druk zijn bekentenis volgens de verdachte tot stand zou zijn gekomen. Uit het voortgangsverslag met betrekking tot het reclasseringstoezicht van 22 april 2025 volgt bovendien dat de verdachte ten aanzien van het delict stappen heeft gezet en de verantwoordelijkheid geheel bij zichzelf wil leggen.
Gelet op deze feiten is de rechtbank van oordeel dat er op basis van het dossier en dat wat op de terechtzitting is behandeld geen enkele aanleiding is om aan te nemen dat de (bekennende) verklaringen van de verdachte onder ongeoorloofde druk tot stand zijn gekomen en/of dat deze niet in vrijheid zijn afgelegd. Het dossier bevat een veelvoud aan indicaties dat de verhoren bij de politie juist zorgvuldig en volgens de regels zijn verlopen en de door de verdachte afgelegde verklaringen in vrijheid zijn afgelegd.
De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid en waarachtigheid van de verklaringen zoals de verdachte die bij de politie heeft afgelegd, en later ten overstaan van de rechter-commissaris en de raadkamer heeft bevestigd. Het verweer van de verdachte, strekkende tot bewijsuitsluiting van zijn eerder afgelegde verklaringen wordt dan ook verworpen.
Het juridisch toetsingskader
Voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang.
Samenweefsel van verdichtsels
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte de beheerder is geweest van twee websites, namelijk [website 1] en [website 2] . De inhoud van deze websites ging over de Covid-19 pandemie, en was kritisch over het gevoerde overheidsbeleid. De verdachte, maar ook zijn dochter schreven columns en nieuwsberichten op deze websites. Op beide websites was er een mogelijkheid om geld te doneren (al dan niet via een externe link). Op deze websites stond vermeld dat het geld van deze donaties gebruikt zou worden voor juridische kosten, waaronder het doen van aangiften tegen bewindspersonen, kosten voor het horen van deskundigen en getuigen en technische kosten voor het onderhoud voor de websites. Ook zouden de donaties besteed worden aan de huur van een private webserver, printkosten, reiskosten en kosten van een flyeractie. De website [website 1] vermeldde dat de organisatie ‘volledig wordt gerund door vrijwilligers’.
Verder was er op de website [website 1] de mogelijkheid om een – al dan niet door de verdachte gesigneerd – rapport aan te schaffen, waarin (getranscribeerde) verklaringen stonden van tachtig politieagenten over politiegeweld bij demonstraties.
Op 17 juni 2021 heeft de verdachte, samen met zijn dochter, die ook medebestuurder werd, de stichting [stichting] opgericht. In de statuten is neergelegd dat het doel van deze stichting is om onderzoek te doen naar het overheidsbeleid van actuele zaken en daarover te rapporteren. Daarbij is in de statuten uitdrukkelijk vastgelegd dat het niet tot het doel van de stichting behoort om uitkeringen te doen aan de oprichters of leden van de stichting (artikel 2), en dat de bestuurders geen beloning krijgen voor hun werkzaamheden (artikel 3).
Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat de verdachte in elk geval tot en met 5 juli 2021 de titel doctorandus (drs.) heeft gevoerd op de website van [stichting] . De verdachte heeft erkend dat hij niet gerechtigd is tot het voeren van deze titel en dat hij deze titel gebruikte om ‘een beetje groter [te] doen’. Uit de beschikbare back-up van deze website van 30 november 2022 blijkt dat de verdachte die titel inmiddels had veranderd naar ‘Ds.’, een gangbare aanspreektitel voor een dominee.
Verder blijkt uit de bewijsmiddelen, waaronder de eigen verklaring van de verdachte, dat de door de verdachte op zijn websites genoemde aangiften tegen [naam 1] en [naam 2] en [naam 3] niet zijn gedaan, althans niet op de data die op de website waren genoemd.
De eveneens op de websites genoemde en in een rapport opgenomen verklaringen van politieagenten zijn in werkelijkheid nooit afgelegd. De verdachte heeft dit bij de politie ook erkend. De stellingen dat daar video-opnames of transcripties van zouden zijn gemaakt en dat deze bij een notaris in bewaring zouden zijn gegeven, hebben naar het oordeel van de rechtbank dan ook nooit op waarheid berust. De verklaringen zijn verzonnen.
Verder schermde de verdachte met een valselijk opgemaakte notarisakte, waarin voornoemde verhoren, de video-opnames en transcripties daarvan werden genoemd, en waarin stond dat de notaris de identiteit van de tachtig politieagenten had vastgesteld en had vastgesteld dat de transcripties op de website overeenkwamen met de bij de notaris in bewaring gegeven videoverklaringen (‘Kluisverklaringen politieambtenaren’) afgelegd door de agenten.
Dit alles maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte een samenweefsel van verdichtsels heeft gewoven. In een tijd die – zoals algemeen bekend is – werd gekenmerkt door overheidsmaatregelen die verregaand ingrepen in het maatschappelijk leven en die door sommigen met argwaan tegemoet werden getreden, heeft de verdachte op de door hem beheerde websites leugenachtige mededelingen gedaan over verklaringen die zouden zijn afgelegd door een groot aantal politieagenten, over geweld toegepast bij demonstraties tegen die overheidsmaatregelen. Die mededelingen werden bij herhaling en in verschillende varianten geuit. Verder heeft de verdachte die mededelingen van een vertrouwenwekkende schijn voorzien door zich te presenteren als drs., door mee te delen dat [stichting] door vrijwilligers en onbezoldigde bestuurders werd geleid, en door te beweren dat de verklaringen door een notaris waren geverifieerd. Ook heeft de verdachte gezegd aangifte te hebben gedaan tegen meerdere bewindspersonen, terwijl dit niet het geval was.
Door dit bedrieglijke handelen heeft de verdachte – tezamen en in vereniging met zijn dochter – een onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen met als doel om misbruik te maken van mensen wier vertrouwen door de uitingen op de websites werd gewekt en die ter goeder trouw de geldelijke donaties gaven waar de verdachte op de websites om vroeg, of een exemplaar kochten van het door de verdachte aangeboden ‘tussenrapport’.
Hoewel de verdachte zakelijke kosten heeft gemaakt voor de door verdachte op de websites vermelde doelstellingen, volgt uit de bewijsmiddelen dat ongeveer driekwart van de donaties is aangewend voor privédoeleinden. De verdachte heeft grote uitgaven gedaan voor vakanties op Aruba, Duitsland, Oostenrijk en Zweden, soms vergezeld van zijn (toenmalige) vrouw en dochter; geldbedragen overgemaakt naar zijn vrouw, dochter en zoon; deed aflossingen van (privé) schulden aan deurwaarders; en kocht een auto en elektrische fietsen. Deze uitgaven had de verdachte niet uitsluitend kunnen bekostigen met het inkomen dat hij uit zijn uitkering en legale werkzaamheden genoot. ‘Ik had het anders niet kunnen doen als ik geen gebruik had gemaakt van de donaties’, aldus de verdachte zelf.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte daarmee het oogmerk gehad om zichzelf en zijn gezinsleden wederrechtelijk te bevoordelen. De door de verdachte aangevoerde omstandigheden dat in ieder geval een gedeelte van de donateurs op de hoogte zouden zijn geweest van het voor privédoeleinden aanwenden van de ontvangen geldelijke donaties door de verdachte en dat zij daarmee ook hebben ingestemd, doen daar – wat daar ook van zij – gelet op de doelstellingen op de websites en de statuten van de stichting en het feit dat de verdachte herhaaldelijk onwaarheden heeft verspreid ten behoeve van het verkrijgen van donaties niet aan af. Nergens op de websites werd immers gewag gemaakt van de hiervoor opgesomde privéuitgaven. Integendeel, de websites schetsten het beeld dat de verdachte en de zijnen zonder eigenbelang handelden.
De aanvang van de pleegperiode
Uit een back-up van de website [website 2] van 26 september 2020 blijkt dat er in elk geval op die datum een bericht op de website stond over aangiftes tegen bewindslieden. Volgens dat bericht is er op 14 september 2020 aangifte gedaan tegen [naam 2] . Ook stond in dit bericht dat op 21 augustus 2020 aangifte was gedaan tegen [naam 1] en dat een aangifte tegen [naam 3] was ‘aangediend’. Op 26 september 2020 was er ook de mogelijkheid om te doneren voor een bijdrage in de juridische kosten. Hiervoor heeft de rechtbank overwogen dat de genoemde aangiften nooit zijn gedaan, zodat dit bericht niet op waarheid heeft berust.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de eerste oplichtingshandeling in elk geval op 26 september 2020 is verricht en gaat voor de start van de pleegperiode dan ook uit van die datum.
Een of meer geldbedragen
Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting niet met de vereiste nauwkeurigheid vast te stellen welke afzonderlijke geldstromen er vanaf 26 september 2020 zijn geweest en welk bedrag de verdachte vanaf die datum in totaal aan donaties en andere bijdragen heeft ontvangen. De rechtbank kan op basis van het dossier wel vaststellen dat het om grote bedragen gaat, waardoor zij “enig bedrag” bewezen acht.
Conclusie ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank is het onder 1 ten laste gelegde feit te weten oplichting wettig en overtuigend bewezen. Ook vindt de rechtbank bewezen dat de verdachte hierbij nauw en bewust heeft samengewerkt met een ander en/of anderen, waaronder in ieder geval zijn dochter.
3.5.2.
Ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde
Voor bewezenverklaring van verduistering als bedoeld in artikel 321 Sr is vereist dat de ontvangen donaties anders dan door misdrijf – dus rechtmatig – in handen zijn gekomen van de verdachte. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat daarvan sprake is als niet enig door de verdachte begaan misdrijf ertoe heeft geleid dat hij het desbetreffende goed onder zich heeft gekregen. Gelet op het oordeel van de rechtbank dat een deel van de door de verdachte ontvangen geldbedragen van een misdrijf (namelijk uit oplichting) afkomstig zijn, kan geen sprake zijn van verduistering van deze geldbedragen, al dan niet in dienstbetrekking: van het bestanddeel ‘anders dan door misdrijf’ is dan immers geen sprake.
Voor zover de tenlastegelegde periode van verduistering onder feit 2 voorafgaat aan de bewezenverklaarde periode van oplichting (26 september 2020), kan de rechtbank op basis van het voorliggend dossier niet met de vereiste mate van zekerheid vaststellen welk geldbedrag in die periode precies is ontvangen, hoe dat geld is beheerd of uitgegeven en welk gedeelte van dat geldbedrag de verdachte zich wederrechtelijk zou hebben toegeëigend.
De rechtbank acht daarom de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, te weten verduistering, niet wettig en overtuigend bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken.
3.5.3.
Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde
De rechtbank stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie over witwassen volgt dat in het geval het witwassen betrekking heeft op – zoals hier het geval is – gelden afkomstig uit enig eigen misdrijf, er in beginsel sprake moet zijn van een handeling die erop gericht is om de crimineel verkregen gelden veilig te stellen. In dergelijke gevallen moet sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die door eigen misdrijf verkregen gelden gericht karakter heeft.
De rechtbank overweegt dat hoewel er aanwijzingen zijn dat de verdachte zijn crimineel verkregen gelden heeft willen veiligstellen, zij onvoldoende aanknopingspunten heeft gevonden om dit te kwalificeren als een witwashandeling zoals hiervoor is genoemd.
De rechtbank kan wel vaststellen dat de verdachte – gelet op wat zij over de bewezenverklaarde oplichting heeft overwogen – gelden afkomstig uit enig
eigenmisdrijf heeft verworven en voorhanden heeft gehad en zal daarom het impliciet tenlastegelegde “eenvoudig witwassen” bewezen verklaren. De rechtbank acht ook bewezen dat de verdachte hierbij nauw en bewust heeft samengewerkt met een ander en/of anderen, in ieder geval met zijn dochter.
3.5.4.
Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde
De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte een valse notariële akte heeft opgemaakt waarin is opgenomen dat de notaris bekend is met de identiteit van de tachtig betrokken politieambtenaren die een videoverklaring hebben afgelegd; de notaris heeft vastgesteld dat de tachtig transcripties, zoals vermeld op de website van [stichting] , overeenkomen met de videoverklaringen en dat de schriftelijke transcripties en videoverklaringen bij de notaris in bewaring zijn gegeven.
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 26 november 2021 een pdf-bestand, inhoudende de voornoemde valse notariële akte, naar onder meer zijn dochter en [naam 4] heeft verstuurd. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat de verdachte met het versturen van dit document naar voornoemde personen, het oogmerk heeft gehad om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 5 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 4 en 5 (primair) ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:
hij in de periode van 26 september 2020 tot en met 7 maart 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, meerdere personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten één of meer geldbedragen, door:
- oprichter en beheerder te zijn van de website voor [stichting] en daarna oprichter
enbestuurder te zijn van de stichting [stichting] (vanaf 17 juni 2021), en
- oprichter
enbeheerder te zijn van de website [website 2] , en
-
aan te gevendat via voornoemde websites kan worden gedoneerd voor het doel van [stichting] en [website 2] , en
- op de website aan te geven dat de werkzaamheden volledig door vrijwilligers worden gerund en het gedoneerde geld zal worden gebruikt voor doel en de kosten daarvan bestaande uit het huren van zalen, technische kosten, website, printkosten, reiskosten, administratiekosten, dit terwijl (een groot gedeelte van de donaties) niet is aangewend voor het doel maar is gebruikt voor privé doeleinden van de verdachte, en
- op de website van [stichting] op te nemen dat de verdachte, uiteindelijk in totaal 80, politieverklaringen heeft afgenomen en daar transcripties van zijn opgemaakt en op de website
aan te gevendat de originele verklaringen bij een notaris in bewaring zijn gegeven, terwijl dit niet het geval is, en
- met onjuiste en/of valselijk opgemaakte informatie in te spelen op mensen met als doel om donaties te verkrijgen;
ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde:
hij in de periode van 26 september 2020 tot en met 3 maart 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van één of meerdere voorwerpen, te weten een geldbedrag,
- heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, dat dit voorwerp c.q. die voorwerpen, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk, afkomstig was/waren uit enig eigen misdrijf;
ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde:
hij omstreeks de periode van 14 mei 2021 tot en met 7 maart 2023 in Nederland, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een afschrift van een notariële akte, valselijk heeft opgemaakt, waarin staat opgenomen dat:
- de notaris bekend is met de identiteit van de 80 betrokken politieambtenaren die een videoverklaring hebben afgelegd, en
- de notaris heeft vastgesteld dat de 80 transcripties, zoals vermeld op de website van [stichting] , overeenkomen met de videoverklaringen, en
- de schriftelijke transcripties en/of videoverklaringen bij de notaris in bewaring zijn gegeven, en
- dat valse afschrift te versturen naar andere personen, [naam 5] en [naam 4] , met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden.
6.2.
Het standpunt van de verdachte
De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hem geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en dat de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf – gelet op de omstandigheid dat hij kampt met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) – voor hem ondraaglijk zou zijn.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
In 2020 heeft de verdachte de [stichting] opgericht met als doel onderzoek te doen naar de proportionaliteit van de door de overheid afgekondigde coronamaatregelen. Op de website van [stichting] verkondigde de verdachte dat hij over de verklaringen van tachtig politieagenten beschikte over geweld toegepast door de politie bij demonstraties tegen die maatregelen. De verklaringen waren door de verdachte verzonnen, maar werden als echt en waar uitgevent, onder andere door ‘transcripties’ te publiceren op de website, door de verklaringen uit te geven in een ‘tussenrapport’, door te doen alsof een notaris had vastgesteld wie de agenten waren, en te zeggen dat video-opnames van de verklaringen in een kluis bij de notaris in bewaring waren gegeven. Ook zou er aangifte zijn gedaan tegen de verantwoordelijke ministers. Dit alles was een grote leugen.
Met deze leugen heeft de verdachte op slinkse wijze duizenden donaties en daarmee een aanzienlijk bedrag opgehaald – de donaties beliepen honderdduizenden euro’s.
Het overgrote deel van de uit donaties verkregen gelden – driekwart – heeft hij niet ten behoeve van de stichting, maar voor privéuitgaven aangewend. Hiermee heeft de verdachte zichzelf en zijn gezinsleden financieel bevoordeeld. De verdachte heeft daarmee in strijd gehandeld met mededelingen daarover op zijn websites en de statuten van zijn stichting, waarmee het door donateurs in hem gestelde vertrouwen ernstig is geschaad.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het medeplegen van eenvoudig witwassen door een geldbedrag dat onmiddellijk afkomstig was uit voornoemde oplichting te verwerven en voorhanden te hebben.
Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door een valse notariële akte op te maken en deze te versturen naar derden met het oogmerk om die als echt en onvervalst te gebruiken. Het notariaat is een ambt met aanzien. Derden moeten kunnen vertrouwen op de juistheid en authenticiteit van notariële akten. Door het frauduleus handelen van verdachte is het vertrouwen dat in het notariële verkeer moet kunnen worden gesteld in ernstig mate geschaad.
Met de door de hem gepleegde feiten heeft de verdachte laten zien dat hij alleen maar uit is geweest op zijn eigen financieel gewin en aanzien. Hij heeft zich – getuige bijvoorbeeld de vakanties naar Aruba – een levensstijl aangemeten die hij zich anders niet kon veroorloven, en dat op kosten van degene die hun vertrouwen hadden gesteld in de verdachte en zijn stichting, en ervan uitgingen dat hun bijdragen daadwerkelijk werden aangewend voor het doen van kritisch onderzoek naar het doen en laten van de overheid. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij het vertrouwen van deze individuele donateurs heeft beschaamd.
Dit misbruik van vertrouwen is des te kwalijker wanneer het wordt geplaatst in de tijd waarin het zich heeft afgespeeld: de corona-periode. Die periode werd gekenmerkt door onzekerheid en zorgen in de samenleving, door zeer ingrijpende en soms controversiële maatregelen, dwingend opgelegd door de overheid, en door kritiek op die maatregelen en wantrouwen jegens de overheid. Door op zijn websites termen te gebruiken als ‘de leugen regeert’ en de vraag op te werpen ‘Cui bono?’en ‘Wie profiteert van dit beleid?’, heeft de verdachte ingespeeld op de onzekerheid en het wantrouwen dat sommigen in de samenleving voelden en misbruik gemaakt van dit sentiment.
De rechtbank acht het handelen van de verdachte laakbaar en overweegt dat dergelijk handelen, zeker op de schaal als in onderhavige zaak, zeer ontwrichtend kan zijn voor de maatschappij.
Hoewel de verdachte in eerste instantie bekennende verklaringen heeft afgelegd, heeft hij die later weer ingetrokken. De verdachte heeft daarmee uiteindelijk geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.
De rechtbank rekent de verdachte dit alles aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 20 november 2025. De rechtbank stelt vast dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren geen relevante veroordelingen op zijn naam heeft staan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 21 april 2023, waaruit blijkt dat bij de verdachte sprake is van een drang om erkenning en aanzien. Ook blijkt uit het advies dat de verdachte is gediagnosticeerd met een narcistische persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken en dat dergelijke stoornissen lastig te behandelen zijn. Daarnaast gaf de verdachte tegenover de reclassering te kennen dat hij eerder in behandeling was vanwege een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en vanwege depressieve klachten. Hoewel de verdachte zich meewerkend opstelde aan een behandeling, ziet de behandelaar van de verdachte geen mogelijkheden in voortzetting ervan. De verdachte was met regelmaat afwezig en was ‘langdurig betrokken bij het vermeende delict gedurende de behandeling’. De behandeling zou daarom gestagneerd zijn. De reclassering schrijft voorts dat het ‘zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de motivatie voor behandeling vooral extern gericht is om zodoende het beeld te willen schetsen dat [de verdachte] vanuit psychische problematiek is wie hij is.’
Verder schat de reclassering het recidiverisico in op gemiddeld. De laatste veroordeling van de verdachte is inmiddels vele jaren geleden, maar door de psychische diagnostiek, moeilijke behandelbaarheid daarvan en de betrekkelijke verantwoording die de verdachte neemt, wordt recidive niet uitgesloten. De kans op het onttrekken aan voorwaarden schat de reclassering laag in.
De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden aan hem op te leggen, omdat zij geen mogelijkheden zien om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van twee voortgangsverslagen van de toezichthouder van 22 april 2025 en 14 oktober 2025. Hieruit volgt dat de verdachte zich gedurende het toezicht uit hoofde van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis meewerkend heeft opgesteld. De verdachte stond in goed contact met de toezichthouder en kwam afspraken na. Daarnaast volgt uit voornoemde verslagen dat de verdachte zich vrijwillig heeft aangemeld bij de [instelling] om aan zijn PTSS klachten te werken en dat ook dit contact goed verloopt. Ook schat de reclassering het risico op recidive in op laag.
Strafoplegging
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Met deze duur wil de rechtbank de ernst van de feiten tot uitdrukking brengen.
De rechtbank zal een deel van die straf, namelijk zes (6) maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren, en daaraan bijzondere voorwaarden verbinden. Hoewel de reclassering in april 2023 een straf zonder bijzondere voorwaarden adviseerde, acht de rechtbank deze wel geboden, gelet op de omstandigheid dat de verdachte inmiddels is teruggekomen op zijn eerder (ook bij de reclassering) afgelegde, bekennende verklaring. Die houding doet de vrees voor herhaling toenemen.
Het onvoorwaardelijk gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf is lager dan door de officier van justitie is geëist, aangezien de rechtbank – anders dan de officier van justitie – tot een bewezenverklaring komt van drie van de vijf aan de verdachte ten laste gelegde feiten. De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, oplegging van een aanzienlijk voorwaardelijk deel passend en geboden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en om de kans op recidive terug te dringen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Overschrijding van de redelijke termijn
Voorop staat dat in artikel 6 EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Als uitgangspunt geldt dat de behandeling op de terechtzitting binnen twee jaar met een eindvonnis dient te zijn afgerond, te rekenen vanaf het moment waarop de verdachte in redelijkheid mag verwachten dat tegen hem strafvervolging zal worden ingesteld. Dat kan anders zijn onder bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of diens raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank gaat uit van een aanvang van de redelijke termijn op 7 maart 2023, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank wijst vonnis op 27 januari 2026, ruim twee jaar en tien maanden na aanvang van de redelijke termijn. De verdachte heeft de keuze gemaakt zich niet te laten bijstaan door een raadsman. Teneinde de verdachte te adviseren om zich te laten bijstaan door een raadsman, kon de zaak op 24 januari 2025 niet inhoudelijk worden behandeld, maar was het houden van een regiezitting noodzakelijk. Tijdens deze zitting heeft de verdachte de rechtbank gewraakt. Ook tijdens de uiteindelijk op 13 mei 2025 geplande inhoudelijke behandeling, heeft de verdachte de rechtbank gewraakt. De behandeling van de wrakingsverzoeken heeft voor de nodige vertraging gezorgd. De wrakingskamer heeft in haar uitspraak op het tweede wrakingsverzoek geoordeeld dat de verdachte het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren en dat daarmee is sprake van misbruik.
Hoewel de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden met ruim tien maanden, is de rechtbank van oordeel dat deze geringe overschrijding goeddeels te wijten is geweest aan de proceshouding van de verdachte. Om die reden zal de rechtbank hieraan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft op de terechtzitting van 13 januari 2026 aan de orde gesteld dat het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst tot aan de einduitspraak in eerste aanleg.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevaar voor herhaling nog altijd bestaat en dat het strafvorderlijk belang bij het herleven van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zwaarder weegt dan het persoonlijk belang dat de verdachte heeft bij het opnieuw schorsen van de voorlopige hechtenis. In dit verband heeft de officier van justitie aangevoerd dat de verdachte niet van zijn fouten heeft geleerd. De verdachte wijst volgens de officier van justitie slechts naar anderen en heeft tijdens de zitting verklaard dat hij een zogenaamde ‘
crowdfunding’zou willen opzetten om zijn verdediging te bekostigen.
De verdachte heeft bepleit de schorsing te laten voortduren totdat het hoger beroep in zijn zaak wordt behandeld. Daartoe heeft de verdachte aangevoerd dat hij geen aanleiding ziet om hem direct van zijn vrijheid te benemen. Ook heeft hij zich gedurende de schorsing gehouden aan de daaraan verbonden voorwaarden. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij zich opnieuw aan eventueel te stellen schorsingsvoorwaarden zal houden.
De rechtbank veroordeelt de verdachte voor drie ten laste gelegde feiten en is van oordeel dat de grond als bedoeld in artikel 67a van het Wetboek van Strafvordering, die tot het bevel tot gevangenhouding van de verdachte heeft geleid, ook nu nog bestaat. Uit het reclasseringsadvies blijkt van gevaar op herhaling en de veranderende proceshouding doet daar ook voor vrezen. Wel is de rechtbank van oordeel dat het persoonlijk belang van de verdachte zwaarder weegt dan het strafvorderlijk belang bij het laten herleven van het bevel tot voorlopige hechtenis, omdat de doelen die met voorlopige hechtenis worden nagestreefd ook kunnen worden bereikt door het stellen van voorwaarden aan een schorsing.
De rechtbank ziet dan ook aanleiding om, in afwachting van het onherroepelijk worden van dit vonnis, het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opnieuw te schorsen met ingang van de dag dat dit vonnis wordt uitgesproken. De rechtbank zal hieraan naast de algemene schorsingsvoorwaarden, een aantal bijzondere voorwaarden verbinden. Voor zover de verdachte zich dient te onthouden van enige en elke betrokkenheid bij fondsenwerving, heeft de rechtbank deze voorwaarde enigszins genuanceerd ten opzichte van de vorige schorsingsvoorwaarden, in die zin dat het betrokkene wel is toegestaan om fondsen te werven ten behoeve van persoonlijke uitgaven, zoals bijvoorbeeld het bekostigen van zijn verdediging.

7.De vordering van de benadeelde partij

7.1.
De vordering van de benadeelde partij
Stichting [stichting] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 242.497,96, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade.
Tijdens het onderzoek op de terechtzitting van 16 januari 2026 heeft mr. M.W.M. Souren de rechtbank verzocht om – in afwijking van de gevorderde schadevergoeding – de door stichting [stichting] geleden schade te begroten op € 75.000,00.
7.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een geschat bedrag van € 20.000,00 en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.
7.3.
Het standpunt van de verdachte
De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet nauwkeurig is onderbouwd, omdat er verschillen bestaan tussen dat wat door het openbaar ministerie wordt gesteld en de vordering van de benadeelde partij.
7.4.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is door de verdachte betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat stichting [stichting] schade heeft geleden, toe te rekenen aan het handelen van de verdachte. Zoals volgt uit de bewezenverklaring, kan de rechtbank niet vaststellen welk bedrag precies na de oprichting van de stichting uit oplichting is verkregen en welke – al dan niet terechte – uitgaven door de verdachte zijn gedaan. De rechtbank acht het schatten van de schade niet passend, nu de verschillende geldstromen van voor en na de oprichting van de stichting [stichting] niet eenvoudig te onderscheiden zijn en de vordering dienaangaande onvoldoende is onderbouwd.
De benadeelde partij alsnog de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 225, 326, 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 4 en 5 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van oplichting;
ten aanzien van feit 4:
medeplegen van eenvoudig witwassen;
ten aanzien van feit 5:
valsheid in geschrift;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
ACHTTIEN (18) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
ZES (6) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland aan de [adres 2] of haar spreeklocatie te [plaats] op door de Reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de Reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich onthoudt van enige en elke vorm van betrokkenheid bij fondsenwerving, tenzij het fondsen ten behoeve van persoonlijke uitgaven betreft;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
voorlopige hechtenis;
schorst de voorlopige hechtenis met ingang van 27 januari 2026 onder de voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich als de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis zal onttrekken;
- als hij voor de feiten waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, wordt veroordeeld tot andere dan vervangende vrijheidsstraf, zich niet aan de tenuitvoerlegging daarvan zal onttrekken;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zal een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zich gedurende de schorsing meldt bij de Reclassering Nederland aan de [adres 2] of haar spreeklocatie te [plaats] op door de Reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de Reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich onthoudt van enige en elke vorm van betrokkenheid bij fondsenwerving, tenzij het fondsen ten behoeve van persoonlijke uitgaven betreft;
- geen strafbare feiten zal plegen;
- gehoor zal geven aan iedere oproeping van politie en justitie;
de vordering van de benadeelde partij;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Snoeijer, voorzitter,
mr. J.J. Balfoort, rechter,
mr. E.R.F. van Engelen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 januari 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 7 maart 2023 te Alphen aan de Rijn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, één of meerdere personen (in totaal 10.241 donaties), heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten één of meer geldbedragen (in totaal 419.054,52 euro), door:
- oprichter en beheerder te zijn van de website voor [stichting] en daarna oprichter van bestuurder te zijn van de stichting [stichting] (vanaf 17 juni 2021), en/of
- oprichter, beheerder en exploitant te zijn van de website [website 2] ,
en/of
- dat via voornoemde websites kan worden gedoneerd voor het doel van [stichting] en/of [website 2] , en/of
- op de website aan te geven dat de werkzaamheden volledig door vrijwilligers worden gerund en het gedoneerde geld zal worden gebruikt voor doel en de kosten daarvan bestaande uit het huren van zalen, technische kosten, website, printkosten, reiskosten, administratiekosten, dit terwijl (een groot gedeelte van de donaties) niet is aangewend voor het doel maar is gebruikt voor privé doeleinden van de verdachte en/of de verdachte heeft verzwegen dat de donaties zouden worden aangewend voor privé doeleinden, en/of
- op de website van [stichting] op te nemen dat de verdachte, uiteindelijk in totaal 80, politieverklaringen heeft afgenomen en daar transcripties van zijn opgemaakt en/of op de website wordt aangegeven dat de originele verklaringen bij een notaris in bewaring zijn gegeven, terwijl dit niet het geval is, en/of
- met onjuiste en/of valselijk opgemaakte informatie in te spelen op mensen (met wantrouwen in het overheidsbeleid) met als doel om donaties te verkrijgen;
2
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 16 juni 2021 te Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, een geldbedrag (229.827,92 euro) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehoorde aan het doel van [stichting] en/of [website 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als donaties voor het doel van [stichting] en/of [website 2] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
3
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 juni 2021 tot en met 7 maart 2023 te Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, een geldbedrag (189.226,60 euro) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehoorde aan stichting [stichting] en/of het doel [website 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten bestuurder van de
stichting [stichting] en/of als beheerder van het doel [website 2] , elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
4
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 7 maart 2023 te Alphen aan de Rijn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van één of meerdere voorwerpen, te weten een geldbedrag van 419.054,52 euro,
- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld, wie de rechthebbende op dit voorwerp c.q. deze voorwerpen is/zijn en/of dit voorwerp c.q. deze voorwerpen,
- heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp c.q. die voorwerpen, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
5
Primair
hij in of omstreeks de periode van 14 mei 2021 tot en met 7 maart 2023 te
Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, een geschrift dat bestemd was om
tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een afschrift van een notariële akte,
valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door een (vals) afschrift van een notariële akte op te maken waarin staat opgenomen dat:
- de notaris bekend is met de identiteit van de 80 betrokken politieambtenaren die een videoverklaring hebben afgelegd, en/of
- de notaris heeft vastgesteld dat de 80 transcripties, zoals vermeld op de website van [stichting] , overeenkomen met de videoverklaringen, en/of
- de schriftelijke transcripties en/of videoverklaringen bij de notaris in bewaring zijn gegeven, en/of
- ( vervolgens) dat (valse) afschrift te versturen naar andere personen, zoals [naam 5] en/of [naam 4] ,
met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
Subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 14 mei 2021 tot en met 7 maart 2023 te Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, opzettelijk, een vals en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een afschrift van een notariële akte, gebruik heeft gemaakt en/of heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was om gebruik van te maken als ware het echt en onvervalst, door, een afschrift daarvan op zijn gegevensdragers te hebben en/of afschrift daarvan te versturen naar andere personen, zoals [naam 5] en/of [naam 4] , en/of naar de akte te verwijzen op de website van [stichting] .