Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11851

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/09/697718 / FA RK 26-376
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek grootmoeder om omgangsregeling met kleinkind afgewezen wegens ontbreken nauwe persoonlijke betrekking

De grootmoeder verzocht de rechtbank om een omgangsregeling met haar kleinkind, geboren in 2024, vast te stellen. Zij stelde dat er tot mei 2025 regelmatig en liefdevol contact was geweest, dat plotseling stopte na een incident. De grootmoeder benadrukte haar ernstige gezondheidstoestand en het belang van het contact voor het kind en haarzelf, met een beroep op artikel 8 EVRM Pro.

De ouders voerden verweer en betwistten dat er sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking. Zij stelden dat het contact incidenteel en kort was, altijd onder hun toezicht, en dat het kind te jong was om de contactbreuk te beseffen. Tevens wezen zij op grensoverschrijdend gedrag van de grootmoeder en de emotionele onrust die contact met haar zou veroorzaken.

De rechtbank beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 1:377a BW en het EVRM. Geconcludeerd werd dat de band tussen grootmoeder en kleinkind niet verder ging dan een normale grootouderrelatie, zonder inwoning, oppas of duurzame verzorging. Ook ontbraken 'sufficiently close family ties' zoals vereist onder het EVRM. Daarom werd de grootmoeder niet-ontvankelijk verklaard en werd geen omgangsregeling vastgesteld.

De rechtbank benadrukte dat dit geen oordeel over de liefdevolle band inhoudt en moedigde partijen aan mediation te overwegen om in de toekomst mogelijk tot contact te komen. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het verzoek van de grootmoeder niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking en wijst het verzoek om omgang af.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-376 (bodem) en FA RK 26-383 (voorlopige voorziening)
Zaaknummer: C/09/697718 (bodem) en C/09/697731 (voorlopige voorziening)
Datum beschikking: 14 april 2026

Omgang

Beschikking op het op 9 januari 2026 ingekomen verzoek van:

[de grootmoeder] ,

de grootmoeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Aydogan-Kütük te [geboorteplaats] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.E. Nonnemaker te Amsterdam.
en

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.E. Nonnemaker te Amsterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9 formulier van 28 januari 2026, met bijlage, van de zijde van de grootmoeder;
  • het verweerschrift;
  • het F9 formulier van 10 maart 2026 van de zijde van de grootmoeder;
  • het F9 formulier van 13 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de grootmoeder.
Op 17 maart 2026 zijn de zaken C/09/697718 en C/09/697731 gecombineerd op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de grootmoeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de ouders, bijgestaan door hun advocaat.

Feiten

  • De moeder en vader zijn gehuwd.
  • Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] .
  • De minderjarige woont bij zijn ouders.
  • De moeder en de vader oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.

Verzoek en verweer

De grootmoeder verzoekt in de bodemprocedure – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te bepalen dat een omgangsregeling tussen de minderjarige en de grootmoeder zal gelden van minimaal een keer in de week op een in overleg met de ouders te bepalen dagdeel voor een aantal uren, althans een regeling vast te stellen zoals de rechtbank in het belang van de minderjarige juist acht, kosten rechtens.
De grootmoeder verzoekt bij wijze van voorlopige voorzieningen – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – een voorlopige omgangsregeling voor de duur van de procedure in de hoofdzaak vast te stellen:
  • primair: waarbij de minderjarige om de week op een in een onderling overleg met de ouders te bepalen dagdeel omgang met de grootmoeder zal hebben voor een aantal uren;
  • subsidiair: een omgangsregeling vast te stellen zoals de rechtbank in het belang van de minderjarige juist acht, kosten rechtens.
De ouders voeren verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens verzoeken de ouders om de grootmoeder te veroordelen in de kosten van de procedure.

Beoordeling

Standpunten van partijen
De grootmoeder wenst omgang te hebben met haar kleinzoon [de minderjarige] en voert daartoe het volgende aan. Vanaf de geboorte van [de minderjarige] in oktober 2024 tot mei 2025 is er regelmatig en liefdevol contact geweest tussen haar en [de minderjarige] . In mei 2025 heeft een incident plaatsgevonden waarna het contact tussen de grootmoeder en [de minderjarige] plotseling is gestopt. De grootmoeder ervaart de contactverbreking als heel pijnlijk. Zij houdt enorm veel van [de minderjarige] en mist hem. Zij verkeert in een ernstige gezondheidstoestand waardoor haar toekomst onduidelijk is. Het plotseling verbreken van contact is ook ingrijpend en verwarrend voor [de minderjarige] . Ook dringt de tijd voor de grootmoeder. Er is sprake van een nauwe persoonlijke betrekking tussen hen en zij doet een beroep op ‘
family life’ uit artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Er is geen enkele reden om de omgang tussen haar en [de minderjarige] te belemmeren en er zijn ook geen redenen om te veronderstellen dat de omgang onder voorwaarden zou moeten plaatsvinden.
De ouders van [de minderjarige] betwisten dat er sprake is van ‘
family life’ en voeren daartoe het volgende aan. Tussen de grootmoeder en [de minderjarige] heeft nooit structureel, intensief of zelfstandig contact plaatsgevonden. Alle contactmomenten waren incidenteel, kort (vaak niet langer dan een uur) en uitsluitend op initiatief van de ouders. [de minderjarige] is nu pas één jaar. In het eerste levensjaar heeft [de minderjarige] zijn grootmoeder maximaal vijftien keer gezien. Hierbij was altijd één van de ouders aanwezig vanwege de lichamelijke en/dan wel psychische gesteldheid van de grootmoeder. De ouders betwisten dat het feit dat [de minderjarige] geen contact meer heeft met de grootmoeder voor hem ingrijpend en verwarrend is. Ten tijde van de contactbreuk was [de minderjarige] zeven maanden oud en had hij niet de leeftijd om dat te beseffen. De ouders betwisten ook dat de grootmoeder in een ernstige gezondheidstoestand verkeert. De ouders erkennen het incident dat heeft plaatsgevonden in mei 2025, maar hebben een andere beleving van de gebeurtenis. Volgens de ouders vertoont de grootmoeder grensoverschrijdend gedrag jegens hen en heeft de grootmoeder geen respect voor de grenzen van de ouders. De ouders willen geen contact met de grootmoeder. De spanningen en conflicten tussen partijen zorgen voor emotionele onrust en een gevoel van onveiligheid wat zij niet in het belang van [de minderjarige] vinden.
Juridisch kader
Het verzoek van de grootmoeder dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van het eerste lid van dit artikel heeft het kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.
Ontvankelijkheid – nauwe persoonlijke betrekking?
De rechtbank zal dus eerst moeten beoordelen of sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de grootmoeder en [de minderjarige] .
Volgens (Nederlandse) rechtspraak is er een ‘nauwe persoonlijke betrekking’ tussen een kleinkind en zijn of haar grootouder als sprake is van een band die verder gaat dan de normale band tussen grootouders en kleinkinderen. Niet iedere grootouder kan, met andere woorden, om een omgangsregeling vragen. Alleen wanneer er bijkomende omstandigheden zijn waaruit blijkt dat er sprake is van méér dan de gebruikelijke contacten tussen de grootouders en het kleinkind zijn zij ontvankelijk in hun verzoek en ontstaat er een recht op omgang. Omstandigheden die hierbij een rol kunnen spelen zijn bijvoorbeeld inwoning, regelmatige verzorging en opvoeding, een intensieve oppasregeling of omgangscontacten na een uithuisplaatsing.
De grootmoeder doet ook een beroep op ‘
family life’. Om te kunnen spreken van ‘
family life’ in de zin van artikel 8 EVRM Pro moet er een bijzondere band, “sufficiently close family ties” zijn tussen de grootmoeder en het kleinkind. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) legt de lat minder hoog dan de Nederlandse rechter. Volgens het EHRM is een voldoende hechte (normale) familieband tussen grootouders en kind voldoende om ‘family life’ aan te nemen. Dat recht op ‘
family life’ omvat het recht van grootouders om een normale grootouder-kleinkind relatie te onderhouden waarbij het wel in eerste instantie aan de ouders is om te bepalen of er omgang tussen grootouders en kleinkinderen plaatsvindt.
De rechtbank acht niet vast komen te staan dat de band die de grootmoeder en [de minderjarige] hebben een band is die verder gaat dan een normale band tussen grootouders en hun kleinkinderen en betrekt daarbij het volgende. Vast staat wel dat er tot mei 2025 contact tussen hen is geweest, maar het contact was niet van lange duur, het was geen inwoning, oppasrelatie of duurzame verzorgingsrelatie. De grootmoeder ging op bezoek bij [de minderjarige] of [de minderjarige] kwam samen met zijn ouders op bezoek bij de grootmoeder. Het contact wisselde van een uur tot een paar uur per keer en vond ongeveer twee keer per maand plaats. Partijen gingen soms samen boodschappen doen en soms daarna ook samen naar een restaurant. Gelet hierop heeft de grootmoeder onvoldoende gesteld en ook op de zitting en uit de stukken is de rechtbank onvoldoende gebleken dat de frequentie en duur van de contacten tussen de grootmoeder en [de minderjarige] méér hebben omvat dan wat gebruikelijk is tussen een grootouder en een kleinkind. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom geen sprake van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de grootmoeder en [de minderjarige] . Ook is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van “sufficiently close family ties”, die op grond van artikel 8 EVRM Pro een recht op omgang aan grootmoeder geven.
Concluderend geldt dat de drempel voor de ontvankelijkheid niet wordt gehaald. Daarom stelt de rechtbank geen omgangsregeling vast. Dat aan de grootmoeder geen recht toekomt om in een procedure een omgangsregeling te laten opleggen, betekent vanzelfsprekend niet dat er geen sprake is van een liefdevolle band tussen de grootmoeder en [de minderjarige] .
De grootmoeder heeft verder aangevoerd dat er tussen [de minderjarige] en de grootmoeder aan moederszijde wel contact is op dit moment. Voor zover zij hiermee wil betogen dat dat een reden moet zijn voor de rechtbank om anders te oordelen, volgt de rechtbank haar niet. De rechtbank moet in deze zaak de verhouding tussen de verzoekende grootmoeder en [de minderjarige] beoordelen; de verhouding tussen de andere grootmoeder en [de minderjarige] staat daar los van.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat het haar op de zitting is gebleken dat er nog steeds forse spanningen zijn tussen partijen en dat een of meerdere gesprekken nodig zullen zijn om eventueel in de toekomst tot contact tussen de grootmoeder en [de minderjarige] te kunnen komen. De grootmoeder heeft op de zitting verklaard daartoe bereid te zijn. De ouders hebben op de zitting verklaard daar op dit moment niet open voor te staan. De rechtbank geeft partijen in overweging om te onderzoeken of er in de toekomst nog een weg kan zijn naar mediaton. Als uitgangspunt geldt immers dat het voor kinderen fijn kan zijn om hun grootouders te leren kennen.
Proceskosten
Nu het een familierechtelijke kwestie betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen de ouders en de grootmoeder te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Beslissing

De rechtbank:
verklaart de grootmoeder niet-ontvankelijk in haar verzoek om een voorlopige voorziening;
verklaart de grootmoeder niet-ontvankelijk in haar verzoek om een omgangsregeling in de bodemprocedure;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. Westerhuis-Evers, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026.