De rechtbank Den Haag behandelde op 14 april 2026 een verzoek van de vader betreffende de omgang met zijn minderjarige kind. Eerder was de beslissing over de omgangsregeling aangehouden in afwachting van het traject bij FamilySupporters. Uit het verslag van FamilySupporters bleek dat de minderjarige geen behoefte had aan begeleiding rondom het contact met zijn vader en dat de hulpverlening werd beëindigd.
Tijdens de zitting spraken de ouders over de hulpverlening en de wensen van de minderjarige. Beide ouders gaven aan dat verdere hulpverlening niet behulpzaam zou zijn en dat het contact op een ongedwongen wijze vormgegeven moest worden. Na een gezamenlijk contactmoment met de opa van het kind, dat goed verliep, is het contact tussen de minderjarige en de vader via Facebook regelmatig en positief.
De moeder gaf aan dat de minderjarige geen structurele fysieke omgangsregeling wenst, maar het contact via Facebook goed vindt. De vader stemt hiermee in. De rechtbank waardeert de samenwerking tussen de ouders en stelt dat het contact op het tempo van de minderjarige moet worden voortgezet. Daarom wordt besloten dat er geen vaste omgangsregeling zal gelden, maar dat het contact op een voor het kind prettige wijze kan plaatsvinden.
De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en een kindbrief opgesteld waarin de beslissing op een begrijpelijke manier aan de minderjarige wordt uitgelegd.