Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11854

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/09/685591 / FA RK 25-3801
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:227 BWArt. 1:228 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing meerderjarigenadoptie wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek tot adoptie van een meerderjarige dochter door haar stiefvader. De dochter is geboren uit het huwelijk van haar moeder en haar juridische vader, die zij sinds haar vierde niet meer heeft gezien. De stiefvader heeft sinds 2012 een belangrijke vaderrol vervuld en de achternaam van de dochter is in 2019 gewijzigd in die van de stiefvader.

Hoewel de dochter meerderjarig is en het minderjarigheidsvereiste van artikel 1:228 BW Pro niet is vervuld, stelden verzoeker en de dochter dat bijzondere omstandigheden en het recht op gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro) een uitzondering rechtvaardigen. De rechtbank erkent de nauwe band, maar oordeelt dat dit geen uitzonderlijke situatie is die afwijkt van de wettelijke eis.

De rechtbank overweegt dat het feit dat de dochter door een stiefouder is opgevoed en een hechte band heeft, niet uitzonderlijk is en geen ongeoorloofde inbreuk op het gezinsleven vormt. Ook is geen verschoonbare termijnoverschrijding aangetoond. Het wetsvoorstel dat meerderjarigenadoptie zou versoepelen ligt nog ter internetconsultatie en kan niet worden toegepast.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot adoptie af en bevestigt dat de huidige wetgeving en jurisprudentie het minderjarigheidsvereiste strikt hanteren.

Uitkomst: Het verzoek tot adoptie van de meerderjarige dochter wordt afgewezen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden en het niet voldoen aan het minderjarigheidsvereiste.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3801
Zaaknummer: C/09/685591
Datum beschikking: 14 april 2026

Adoptie

Beschikking op het op 9 mei 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] ,

verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.E. de Geus te Den Haag.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de dochter] ,

de dochter, hierna te noemen: [de dochter] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de (juridische) vader] ,

de (juridische) vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- het F9-formulier van 12 juni 2025, met bijlage, van verzoeker.
Op 15 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [de dochter] ;
  • de moeder.
De (juridische) vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Verzoek

Het verzoek strekt tot:
-adoptie door verzoeker van de meerderjarige:
-[de dochter] , geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ;
een en ander voor zo ver mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
[de dochter] en haar moeder ondersteunen het adoptieverzoek.

Feiten

- De moeder en de (juridische) vader zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2002 tot [datum 2] 2006.
- Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] 2003 in Zoetermeer [de dochter] geboren.
-De moeder en verzoeker zijn op [datum 3] 2014 met elkaar gehuwd.
-Bij Koninklijk Besluit van 22 mei 2019 is de achternaam van [de dochter] gewijzigd en sindsdien heet zij:
[de dochter] .

Standpunt verzoeker en [de dochter]

Verzoeker wenst [de dochter] te adopteren. Verzoeker en [de dochter] hebben het volgende naar voren gebracht. [de dochter] is geboren uit het huwelijk van de moeder en de (juridische) vader. Dit huwelijk is toen [de dochter] nog heel jong was geëindigd en [de dochter] heeft haar (juridische) vader voor het laatst gezien toen zij vier jaar oud was. Verzoeker en de moeder hebben in 2005 een relatie gekregen. In 2012 is verzoeker bij de moeder en [de dochter] gaan wonen en op [datum 3] 2014 zijn verzoeker en de moeder met elkaar getrouwd. Zij voeren tot de dag van vandaag een gezamenlijke huishouding. Verzoeker heeft direct een belangrijke rol in het leven van [de dochter] gespeeld en samen met de moeder zorggedragen voor de verzorging en opvoeding van [de dochter] . De sterke band tussen verzoeker en [de dochter] heeft altijd voortgeduurd en daar is, ook toen [de dochter] meerderjarig werd, geen verandering in gekomen. Verzoeker ziet [de dochter] dan ook als zijn dochter. In 2019 is de achternaam van [de dochter] gewijzigd in de achternaam van verzoeker. Volgens verzoeker is er daarom sprake van een nauwe persoonlijke betrekking die aangemerkt moet worden als familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 lid 1 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Tijdens de minderjarigheid van [de dochter] is het niet tot een adoptieverzoek gekomen. [de dochter] is inmiddels meerderjarig, zodat strikt genomen aan een van de vereisten van artikel 1:228 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) niet is voldaan. In dit geval is echter, zo voeren verzoeker en [de dochter] aan, sprake van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de adoptie toch wordt uitgesproken. Het is bovendien in het belang van [de dochter] dat haar juridische positie in overeenstemming wordt gebracht met de sinds 2005, toen [de dochter] nog heel jong was, bestaande sociale en emotionele realiteit. Verzoeker en [de dochter] verwijzen hierbij naar recente jurisprudentie waarin in gelijksoortige zaken is geoordeeld dat het ontbreken van de mogelijkheid tot adoptie in die gevallen een ongeoorloofde inmenging in het gezins- en familieleven betreft zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. Daarnaast stelt [de dochter] dat haar (juridische) vader geen enkele rol heeft gespeeld in haar leven. De geslachtsnaam van [de dochter] is in 2019 veranderd in [geslachtsnaam] , de achternaam van verzoeker. Toentertijd is wel overwogen om een adoptieverzoek in te dienen maar [de dochter] was toen van mening dat een wijziging van de achternaam zou voorzien in de behoefte om de familieband tussen haar en verzoeker te bevestigen. Daarbij speelde ook een rol dat het gezin – vanwege de problematische schulden die door toedoen van de (juridische) vader van [de dochter] waren ontstaan – niet de financiële middelen had om een adoptieprocedure te starten. Die situatie is nu veranderd. De grootmoeder van [de dochter] heeft financieel kunnen bijspringen. [de dochter] merkt nu dat het dragen van de achternaam van haar stiefvader niet voldoet aan haar diep gevoelde behoefte om via adoptie de band met de stiefvader juridisch te bevestigen.
Ter zitting hebben verzoeker, [de dochter] en de moeder hun standpunten uitgebreid toegelicht. [de dochter] heeft verklaard dat verzoeker haar vaderfiguur is. Hij heeft altijd voor haar klaargestaan zoals een vader behoort te doen. Zowel voor [de dochter] als voor verzoeker en de moeder is het van emotioneel groot belang dat er alsnog een familierechtelijke betrekking tussen [de dochter] en verzoeker tot stand wordt gebracht, zodat de bestaande band juridisch wordt bevestigd.

De beoordeling

Een verzoek tot adoptie moet voldoen aan de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 1:227 en 1:228 BW. Eén van deze voorwaarden is dat het kind op het moment dat een verzoek tot adoptie wordt gedaan minderjarig is. Adoptie is dan ook vooral een kinderbeschermingsmaatregel. [de dochter] was ten tijde van de indiening van het adoptieverzoek eenentwintig jaar oud en dus al meerderjarig. Dat heeft tot gevolg dat niet is voldaan aan genoemde voorwaarde die te vinden is in artikel 1:228 lid 1 onder Pro a BW. Die bepaling is van dwingend recht, zodat op grond van het toe te passen Nederlandse recht adoptie in dit geval in beginsel is uitgesloten.
Door verzoeker en [de dochter] is gesteld dat het feit dat [de dochter] meerderjarig is in dit geval niet in de weg kan staan aan de adoptie. Zij verwijzen in dit kader naar het recht op family life, zoals vastgelegd in artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank overweegt dat het recht op adoptie als zodanig niet behoort tot één van de door het EVRM beschermde rechten. Weigering de adoptie toe te staan kan onder bijzondere omstandigheden wel een inbreuk opleveren op de door artikel 8 EVRM Pro gegarandeerde rechten. In dat geval moet sprake zijn van zeer bijzondere omstandigheden die terzijdestelling van voormelde dwingendrechtelijke (nationale) bepaling rechtvaardigen.
Uit de door verzoeker genoemde jurisprudentie volgt dat sprake kan zijn van (zeer) bijzondere omstandigheden die terzijdestelling van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 1:228 lid 1 onder Pro a BW kunnen rechtvaardigen. Het moet dan gaan om (zeer) uitzonderlijke gevallen, waarin de weigering van een adoptie wegens de enkele meerderjarigheid bij de indiening van het adoptieverzoek een ongeoorloofde inbreuk op het door artikel 8 EVRM Pro beschermde gezins- en familieleven met zich zou brengen.
Een tweede aspect dat van belang is, is of de termijnoverschrijding met betrekking tot het verzoek verschoonbaar is. Er is geen sprake van een ongerechtvaardigde inbreuk op het familieleven als burgers zonder goede reden wachten met het indienen van een verzoekschrift.
De rechtbank stelt voorop dat er geen enkele twijfel bestaat over de bijzondere band die tussen [de dochter] en verzoeker bestaat. Het is duidelijk dat verzoeker voor [de dochter] vanaf zeer jonge leeftijd de vaderfiguur in haar leven is geweest en dat verzoeker dit nog altijd is. Dit hebben verzoeker, [de dochter] en haar moeder op zitting niet alleen heel duidelijk toegelicht maar dat zij met elkaar een hecht gezin vormen was ook zichtbaar.
De rechtbank is echter van oordeel dat er in het geval van verzoeker en [de dochter] geen sprake is van een situatie die zo uitzonderlijk is als hiervoor weergegeven. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Vaststaat dat er een feitelijk gezinsverband is tussen verzoeker en [de dochter] en dat dit gezinsverband al lange tijd bestaat. Hoewel de rechtbank de door alle gezinsleden gewenste adoptie begrijpt is het niet uitzonderlijk dat iemand door een stiefouder wordt verzorgd en opgevoed of een betere band heeft met zijn of haar stiefouder dan met zijn of haar biologische ouder. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit gezinsverband op zichzelf niet een omstandigheid is die kan leiden tot een uitzondering op het minderjarigheidsvereiste bij adoptie. Ook is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een zeer bijzondere omstandigheid op grond waarvan geoordeeld kan worden dat sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op het door artikel 8 EVRM Pro beschermde gezins- en familieleven. [de dochter] had en heeft immers gezinsleven met de stiefvader. Dat dit nu niet juridisch wordt vertaald in een adoptie levert geen schending op van dat gezinsleven.
Ook van een verschoonbare termijnoverschrijding is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. In dit verband zijn door verzoeker en [de dochter] twee aspecten genoemd. Enerzijds het financiële aspect – de financiële situatie liet het eerder niet toe om een verzoekschriftprocedure bij de rechtbank te starten – en anderzijds het emotionele aspect – [de dochter] dacht toen, anders dan nu, dat het wijzigen van haar achternaam zou voldoen aan haar behoefte tot het vestigen van een band met de stiefvader. Voor wat betreft het financiële aspect overweegt de rechtbank dat, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, de stelling dat de grootmoeder destijds niet, en nu wel, kon bijspringen niet overtuigt. Daarnaast is het emotionele aspect enerzijds naar zijn aard subjectief, terwijl het anderzijds, wil dit leiden tot een uitzondering op de wettelijke regeling, toch in enige mate objectiveerbaar zal moeten zijn. Die objectieve onderbouwing van de gevoelens van [de dochter] ontbreekt. De conclusie van de rechtbank luidt dan ook dat geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden en een verschoonbare termijnoverschrijding op grond waarvan moet worden afgeweken van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 1:228 lid 1 onder Pro a BW.
De rechtbank ziet voorts geen aanleiding of grond om vooruit te lopen op het wetsvoorstel ‘Wet afbouw interlandelijke adoptie en vereenvoudiging identiteitsherstel’. Dit wetsvoorstel brengt in zijn huidige vorm mee dat adoptie van meerderjarigen eenvoudiger wordt. Volgens dit wetsvoorstel hoeft van zeer bijzondere omstandigheden geen sprake meer te zijn, maar is het voldoende voor meerderjarigenadoptie dat het meerderjarige kind als minderjarige gedurende tenminste vijf jaar door adoptant en diens eventuele partner als behorende tot het gezin is opgevoed. Dit is als eis opgenomen omdat een eis als ‘zeer bijzondere omstandigheden’ volgens de wetgever tot rechtsongelijkheid leidt. Het wetsvoorstel ligt op dit moment ter internetconsultatie voor. Het is daarmee nog onduidelijk of het wetsvoorstel in de huidige vorm aangenomen zal worden, en als dat al zo is, wanneer het in werking zal treden. Dit kan nog jaren duren. Het wetsvoorstel houdt een trendbreuk in met de huidige wetgeving en de vaste rechtspraak. Er is geen sprake van een leemte in de huidige wet die wordt opgevuld met het wetsvoorstel: het gaat om een verandering van de regels, niet om invoering van een regel die nu ontbreekt. Het maken van regels is echter niet aan de rechter maar aan de wetgever.
De rechtbank zal het verzoek tot adoptie van [de dochter] door verzoeker daarom afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, mr. A.C. Olland en mr. C.L. Strop, (kinder)rechters, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026.