Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11855

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/09/701378 / JE RK 26-423
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De kinderrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 14 april 2026 een beschikking gegeven waarin de ondertoezichtstelling van een minderjarige wordt verlengd voor de duur van een jaar, tot 2 mei 2027. Tevens is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 2 november 2026. De minderjarige verblijft sinds juni 2025 bij NovaaZorg en vertoont nog steeds zorgelijk gedrag, waarbij zij haar eigen regels bepaalt en kwetsbaar is voor negatieve invloeden.

De moeder, belast met het ouderlijk gezag, heeft zich niet uitdrukkelijk uitgesproken over het verzoek maar geeft aan hoop te hebben op een eigen woning en start binnenkort een traject bij de Brijder. De moeder maakt zich zorgen over het gedrag van de minderjarige en vindt het belangrijk dat zij de benodigde hulp krijgt. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat de jeugdbeschermer betrokken blijft en dat de gecertificeerde instelling systemische hulpverlening opstart voor de relatie tussen moeder en kind.

De kinderrechter wijst erop dat de minderjarige haar leerstraf niet goed heeft uitgevoerd en recent weer met de politie in aanraking is gekomen. Er is dagbesteding gevonden, maar de minderjarige heeft hier slechts kort aan deelgenomen. De uithuisplaatsing wordt gecontinueerd omdat de moeder nog geen eigen woning heeft en nog niet in staat is een beschikbare opvoeder te zijn. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot een nader te bepalen zitting.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling tot 2 mei 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 2 november 2026 wegens zorgelijk gedrag en bedreigde ontwikkeling van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/701378 / JE RK 26-423
Datum uitspraak: 14 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- [naam 1] namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] is erkend door de heer [naam 2] .
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] verblijft bij NovaaZorg in [plaats] .
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 mei 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 2 mei 2026.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 maart 2026 de machtiging verlengd [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 2 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De moeder heeft zich niet uitdrukkelijk uitgelaten over het verzoek. De moeder hoopt rond mei 2026 een eigen woning te krijgen. Daarnaast zal zij op korte termijn starten met een traject bij de Brijder. De moeder maakt zich verder zorgen over [de minderjarige] ’s gedrag en vindt het belangrijk dat [de minderjarige] de hulp krijgt die zij nodig heeft.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Hoewel [de minderjarige] sinds juni 2025 bij NovaaZorg is geplaatst, laat zij nog steeds zorgelijk gedrag zien waarbij zij haar eigen gang gaat en haar eigen regels bepaalt. Zij is kwetsbaar voor negatieve invloeden van buitenaf en zoekt regelmatig grenzen op, wat risico’s met zich meebrengt voor haar veiligheid en ontwikkeling. Verder is het zorgelijk dat [de minderjarige] haar leerstraf niet goed heeft uitgevoerd en recent weer met politie in aanraking is gekomen. Hoewel er dagbesteding is gevonden voor [de minderjarige] , is zij hier maar een korte periode naar toe gegaan. Ook hebben de moeder en [de minderjarige] momenteel weinig contact. Gelet op al deze zorgen vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat de jeugdbeschermer betrokken blijft. De jeugdbeschermer kan vanuit het gedwongen kader de regie voeren over de ontwikkeling van [de minderjarige] . Naar aanleiding van de door Novaa uitgevoerde diagnostiek moet er worden gekeken waar [de minderjarige] ’s gedrag vandaan komt en welke hulpverlening en begeleiding voor haar passend en noodzakelijk is. Daarnaast is het noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling de systemische hulpverlening voor de relatie tussen de moeder en [de minderjarige] opstart. Mocht het de gecertificeerde instelling niet lukken om een onderwijsplek te vinden voor [de minderjarige] , dan is het noodzakelijk dat [de minderjarige] gemotiveerd wordt om wel naar dagbesteding te gaan. Daarnaast is het van belang dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] wordt gecontinueerd. [de minderjarige] kan nog niet bij de moeder wonen. De moeder heeft nog geen eigen woning en moet de komende periode met haar eigen hulpverlening aan de slag, zodat zij een beschikbare opvoeder kan zijn voor [de minderjarige] .
5.3.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar. De kinderrechter ziet aanleiding om het verzoek tot de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing toe te wijzen voor een periode van zes maanden. Het verzoek zal voor het overige worden aangehouden. De kinderrechter wil op de hoogte worden gehouden van de ontwikkelingen ten aanzien van de moeder, het onderzoek naar het gedrag van [de minderjarige] , de dagbesteding van [de minderjarige] en de ingezette hulpverlening. De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk
twee wekenvoorafgaand aan de volgende zitting een schriftelijke update te versturen, met daarin de huidige stand van zaken.
5.4.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 2 mei 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 2 november 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting,
gelegen vóór 2 november 2026;
6.5.
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
  • de gecertificeerde instelling;
  • de moeder;
  • [de minderjarige] , voor het kindgesprek;
6.6.
Verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk
twee wekenvoorafgaand aan voornoemde zitting een
schriftelijke updatezoals hierboven genoemd aan de rechtbank en de belanghebbende te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 21 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.