Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11858

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/09/700931 / JE RK 26-376
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige afgewezen en toegewezen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen. Voor [de minderjarige 1] wordt de verlenging afgewezen omdat hij zich positief heeft ontwikkeld, goed communiceert met zijn moeder en geen verdere hulpverlening nodig heeft. De coach blijft tot het einde van het schooljaar betrokken, maar een langere ondertoezichtstelling is niet noodzakelijk.

Voor [de minderjarige 2] wordt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor een jaar. De kinderrechter constateert dat haar ontwikkeling nog steeds ernstig bedreigd wordt, vooral door de problematische relatie met de moeder. De moeder toont wel bereidheid om de wensen van [de minderjarige 2] te respecteren, maar de gecertificeerde instelling moet als neutrale partij betrokken blijven om te bemiddelen en de situatie te monitoren.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de verlenging wordt aangetekend in het gezagsregister. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening. De uitspraak is gedaan door kinderrechter N.B. Haverhoek op 14 april 2026 en schriftelijk vastgelegd op 21 april 2026.

Uitkomst: Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de ene minderjarige toegewezen, verlenging voor de andere afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/700931 / JE RK 26-376
Datum uitspraak: 14 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een afwijzing van een verlenging van ondertoezichtstelling en over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in Amsterdam,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] .
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2009 in Amsterdam,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.R. Rens te Den Haag,
[de pleegmoeder],
hierna te noemen: de pleegmoeder
en
[de pleegvader],
hierna te noemen: de pleegvader,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
De advocaat van de moeder is niet verschenen. De pleegouders zijn ook niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de pleegouders wel juist zijn opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
[de minderjarige 2] heeft haar mening niet gegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
2.2.
[de minderjarige 1] woont bij zijn moeder en [de minderjarige 2] verblijft in een pleeggezin
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 april 2025 [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] onder toezicht gesteld tot 15 april 2026 en een machtiging verleend om [de minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 15 oktober 2025.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 14 oktober 2025 de machtiging verlengd om [de minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 15 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] te verlengen tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot [datum] 2026. Daarnaast verzoekt de gecertificeerde instelling de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De gecertificeerde instelling maakte zich zorgen over [de minderjarige 1] ’s schoolgang, maar het is positief dat hij zijn examens waarschijnlijk gaat halen. De coach van [de minderjarige 1] heeft gezien dat hij het goed doet op zijn stage en een kleine verbetering laat zien op school. Ten aanzien van [de minderjarige 1] is een korte verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk om een borgingsplan op te stellen en de financiering van de coach te regelen. De zorgen over [de minderjarige 2] liggen met name in haar relatie met de moeder. De moeder heeft negatieve uitspraken gedaan over het pleeggezin waarin zij verblijft en is ambivalent in haar houding ten aanzien van de plaatsing van [de minderjarige 2] . [de minderjarige 2] wil graag in het pleeggezin blijven en het is voor haar ontwikkeling van belang dat deze plaatsing wordt voortgezet. Een verlenging van de maatregelen voor [de minderjarige 2] is noodzakelijk zodat de gecertificeerde instelling als neutrale partij kan bemiddelen tussen de betrokken.

4.De standpunten

4.1.
De moeder staat achter [de minderjarige 1] ’s wens om de ondertoezichtstelling niet te verlengen. De moeder ziet dat [de minderjarige 1] de afgelopen periode erg gegroeid is. De communicatie tussen de moeder en [de minderjarige 1] is verbeterd. Ook gaat hij naar school, zijn stage en werk. Naar verwachting zal [de minderjarige 1] zijn diploma gaan halen. Hij wil een vervolgopleiding doen op mbo-niveau 3. De moeder staat achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] . De moeder is blij dat haar band met [de minderjarige 2] is verbeterd. Zo doen zij leuke dingen samen en is het fijn als [de minderjarige 2] initiatief neemt om de moeder over iets te berichten. Hierbij luistert de moeder naar [de minderjarige 2] ’s wensen over het contact.

5.De beoordeling

Ten aanzien van [de minderjarige 1]
5.1.
De kinderrechter overweegt het volgende. De kinderrechter ziet dat [de minderjarige 1] zich de afgelopen periode positief heeft ontwikkeld. De moeder en [de minderjarige 1] kunnen goed met elkaar communiceren en [de minderjarige 1] heeft het vertrouwen van zijn moeder gekregen. In plaats van veel te gamen, gaat [de minderjarige 1] nu naar school, zijn stage en de sportschool en zoekt hij een nieuwe bijbaan die beter bij zijn vervolgopleiding past. De coach die betrokken is vanwege de schoolgang van [de minderjarige 1] , zal tot het einde van het schooljaar betrokken blijven. [de minderjarige 1] heeft geen behoefte aan een langere betrokkenheid van de coach, zodat het niet nodig is om hiervoor financiering te regelen. Andere hulpverlening is niet bij [de minderjarige 1] betrokken zodat een warme overdracht naar het vrijwillig kader achterwege kan blijven. Op grond van al het voorgaande komt de kinderrechter tot de conclusie dat gronden voor een ondertoezichtstelling niet meer aanwezig zijn. Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen.
Ten aanzien van [de minderjarige 2]
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
De ontwikkeling van [de minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Hoewel het goed gaat met [de minderjarige 2] op school en in het pleeggezin, maakt de kinderrechter zich nog wel zorgen over de relatie tussen de moeder en [de minderjarige 2] . Het is knap dat de moeder, ondanks dat zij meer contact zou willen, de wensen van [de minderjarige 2] hierover probeert te volgen en [de minderjarige 2] emotionele toestemming verleent om in het pleeggezin te blijven wonen. Het is noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling in het gedwongen kader betrokken blijft om de band tussen [de minderjarige 2] en de moeder in de gaten te houden en indien nodig hulpverlening in te zetten. Daarnaast is het van belang dat de gecertificeerde instelling betrokken blijft om te bemiddelen tussen de moeder, het pleeggezin en de pleegzorgwerkers zodat er goede afspraken kunnen worden gemaakt rondom [de minderjarige 2] . Het is daarnaast van belang dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] wordt gecontinueerd zodat zij zich positief kan blijven ontwikkelen in het pleeggezin en vanuit deze rustige situatie kan werken aan het verbeteren van haar band met de moeder. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
5.4.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] tot 15 april 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 15 april 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 21 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.