Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11868

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
NL25.56867
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 3 EVRMArt. 4 EU Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Nigeriaanse homoseksuele man wegens ongeloofwaardige verklaringen

Eiser, een Nigeriaanse man van de Igbo-bevolkingsgroep, verzocht om asiel vanwege zijn homoseksuele gerichtheid en vrees voor jihadistisch geweld. Hij stelde dat hij sinds juni 2020 zijn seksuele voorkeur ontdekte en dat hij vanwege overstromingen en zijn situatie Nigeria verliet.

De minister wees de aanvraag af omdat de verklaringen van eiser over zijn homoseksualiteit niet samenhangend en aannemelijk waren. De rechtbank oordeelde dat de minister dit standpunt voldoende had gemotiveerd, onder meer omdat eiser vaag en wisselend was over het moment van ontdekking en onvoldoende inzicht gaf in zijn persoonlijke beleving.

Daarnaast vond de rechtbank dat eiser zijn vrees voor jihadistisch geweld niet aannemelijk had gemaakt, mede omdat hij geen persoonlijke problemen met jihadisten had aangevoerd en de regio waar hij vandaan komt relatief minder geweld kent.

De rechtbank concludeerde dat de minister terecht een terugkeerbesluit oplegde en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardige homoseksualiteit en onvoldoende aannemelijke vrees voor jihadistisch geweld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56867

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft namelijk voldoende gemotiveerd dat eisers homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is, omdat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor jihadisten niet aannemelijk heeft gemaakt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 november 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser is van Nigeriaanse nationaliteit, behoort tot de Igbo-bevolkingsgroep en is geboren op [geboortedag] 1989. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. In juni 2020 kwam eiser erachter dat hij niet meer op vrouwen valt. Zo kwam hij er ook achter dat hij op mannen valt. In september 2021 vond een overstroming plaats in zijn woonomgeving, waarbij hij zijn huis en spullen is verloren. De combinatie van de overstroming, zijn gerichtheid en zijn medische omstandigheden, maakte dat eiser besloot om Nigeria te verlaten. Bij terugkeer vreest eiser als homoseksueel zijn fundamentele rechten niet uit te kunnen oefenen. Ook vreest eiser voor jihadisten, die christenen zoals hij aanvallen in Nigeria.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- eisers homoseksuele gerichtheid.
De minister stelt zich op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Zijn verklaringen over zijn homoseksuele gerichtheid zijn echter niet geloofwaardig. De minister is er daarom niet aan toegekomen om te toetsen of eiser een aannemelijk vrees heeft om terug te keren naar Nigeria vanwege zijn homoseksuele gerichtheid. Verder heeft eiser zijn vrees voor jihadisten niet aannemelijk gemaakt. De minister vindt daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
Heeft de minister zijn standpunt dat eisers homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is voldoende gemotiveerd?
5. Eiser heeft niet betwist dat hij zijn homoseksuele gerichtheid en de daaruit voorvloeiende problemen niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [1] De minister heeft daar een aantal redenen voor gegeven die eiser betwist. De rechtbank bespreekt die hieronder.
5.1.
Uit Werkinstructie 2019/17 volgt dat de minister in zaken als deze op zoek is naar een authentiek verhaal van de betrokken vreemdeling. Het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling ligt daarom bij de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst van de vreemdeling en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar lhbti-zijn maatschappelijk onacceptabel of strafbaar is gesteld. In die situatie is het de vraag of en hoe de vreemdeling zich daaraan heeft aangepast en hoe hij dit heeft beleefd. Primair wordt dus gekeken naar de eigen verklaringen van de vreemdeling, maar ook verklaringen van derde partijen moeten bij de beoordeling worden betrokken. In twijfelgevallen kunnen verklaringen van derden – mits deze verklaringen daadwerkelijk een toevoeging zijn op het dossier – de doorslag geven. Het is echter afhankelijk van de individuele omstandigheden of een derdenverklaring eventueel opweegt tegen hetgeen de vreemdeling zelf heeft verklaard.
Eiser heeft onvoldoende inzicht verschaft in hoe hij merkte dat hij niet meer op vrouwen viel en wel op mannen
6. Eiser voert aan dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in hoe hij merkte dat hij niet meer op vrouwen viel, en wel op mannen.
6.1.
Het betoogt slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in hoe hij merkte dat hij niet meer op vrouwen viel, en wel op mannen. Zo heeft de minister overwogen dat eisers verklaring dat zijn relatie met zijn vriendin, met wie hij al 11 jaar samen was, niet meer was zoals het ‘hoort’ te zijn, op zichzelf onvoldoende uitleg is voor waarom eiser zich opeens aangetrokken voelde tot mannen. De minister had mogen verwachten dat eiser meer inzicht had kunnen bieden in zijn gedachtes, overwegingen, conclusies en handelingen in dat proces. Verder heeft de minister voldoende gemotiveerd overwogen dat het weliswaar niet onmogelijk is dat eiser na zijn dertigste erachter is gekomen dat hij op mannen valt, maar dat hij voldoende inzichtelijk moet kunnen verklaren over waarom hij opeens een voorkeur kreeg voor mannenlichamen en de communicatie van mannen. Dat dit plotseling zou zijn ontstaan heeft de minister niet hoeven volgen, waarbij hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn leven lang al weet hoe het mannelijk lichaam eruit ziet en hoe mannen communiceren. Dat dit plotseling tot eiser zou zijn doorgedrongen nadat de relatie met zijn vriendin was beëindigd heeft de minister te oppervlakkig en onvoldoende inzichtelijk kunnen vinden.
Eiser is vaag en wisselend over wanneer hij voor het eerst merkte dat hij op mannen valt
7. Eiser voert verder aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij vaag en wisselend zou hebben verklaard over wanneer hij voor het eerst merkte dat hij op mannen valt.
7.1.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser vaag en wisselend heeft verklaard over wanneer hij voor het eerst merkte dat hij op mannen valt. De minister heeft erop gewezen dat eiser aanvankelijk verklaarde dat, toen hij na de overstroming in 2021 onder een brug sliep en zijn relatie met zijn vriendin beëindigd was, eiser merkte dat zijn lichaam meer aangetrokken was tot mannen dan vrouwen. [2] Direct daarna verklaart eiser dat hij al tijdens de relatie met zijn vriendin – in juni 2020 – erachter kwam dat hij op mannen valt, en dat de relatie met haar om die reden is geëindigd. [3] De minister heeft hierbij terecht opgemerkt dat als eiser na de overstroming merkte dat hij zich aangetrokken voelde tot mannen, het onlogisch is dat de relatie met zijn vriendin in juni 2020 om die reden is geëindigd. Eisers betoog dat deze motivering onvoldoende is, omdat eisers besef van zijn homoseksualiteit een geleidelijke ontwikkeling was, wordt niet gevolgd door de rechtbank. De minister heeft er namelijk op gewezen dat eiser uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij al sinds juni 2020 gevoelens heeft voor mannen, [4] zodat het tegenstrijdig is dat hij in zijn vrije relaas heeft verklaard dat zijn lichaam na de overstroming op mannen reageerde. De minister heeft daarmee ook voldoende gemotiveerd dat het onlogisch is dat eiser zich pas in 2021 voor het eerst aangetrokken voelde tot een man.
Eiser verschaft onvoldoende diepgang in wat zijn ontdekking met hem deed en wat het voor hem betekende
8. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij niet heeft uitgelegd hoe hij tot het inzicht is gekomen dat de wijze waarop de maatschappij naar homoseksuelen kijkt niet eerlijk is. Eiser heeft wel degelijk uitleg gegeven hoe hij tot dit standpunt is gekomen.
8.1.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser niet heeft kunnen uitleggen hoe hij tot het inzicht is gekomen dat de wijze waarop de maatschappij naar homoseksuelen kijkt niet eerlijk is. Eiser heeft op vragen hierover namelijk alleen verklaard dat de wet van een land niet boven internationale wetten staat en dat er andere mensen zijn die het er net als hem mee oneens zijn. [5] Eiser betoogt dat het logisch is dat hij deze mening pas heeft sinds hij zich tot mannen aangetrokken voelt, maar de minister werpt dat uitdrukkelijk niet tegen. Wat de minister tegenwerpt – en ook heeft mogen tegenwerpen – is dat eiser niet weet uit te leggen hoe hij tot die mening is gekomen. Eiser heeft niet uit kunnen leggen hoe hij tot het inzicht is gekomen dat de wijze waarop de maatschappij naar homoseksuelen kijkt niet eerlijk is en wat dat met hem doet. De minister mag van eiser verwachten dat hij hier meer over kan vertellen, te meer omdat eiser er na zijn dertigste achter is gekomen dat hij op mannen valt. Verder heeft de minister mogen tegenwerpen dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in wat de ontdekking van zijn homoseksuele gerichtheid voor hem persoonlijk betekende. Zo heeft eiser op de vraag hoe hij zich voelde toen hij erachter kwam dat hij op mannen valt alleen verklaard dat hij zich aan de ene kant heel slecht voelde vanwege het feit dat hij zijn fundamentele mensenrechten niet zou kunnen uitoefenen, en dat hij aan de andere kant wilde dat hij de kans zou krijgen om een relatie met mannen aan te gaan. [6] Dat eiser hierover onvoldoende inzicht heeft gegeven, heeft hij in beroep niet bestreden.
Conclusie
9. Gelet op wat onder 6.1, 7.1 en 8.1 is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat deze beroepsgrond niet slaagt. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat eisers homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is, omdat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Tijdens de zitting heeft eiser aanvullend gewezen op zijn lidmaatschap van een lhbti-Whatsappgroep, maar de minister heeft voldoende toegelicht dat het enkele feit dat eiser lid is van die Whatsappgroep onvoldoende gewicht in de schaal legt om te leiden tot een ander oordeel. Aangezien de minister eisers homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig mocht vinden, hoefde de minister dus niet te toetsen of eisers vrees om terug te keren naar Nigeria vanwege zijn homoseksualiteit aannemelijk is.
Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor jihadisten niet aannemelijk heeft gemaakt?
10. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser zijn vrees voor jihadisten niet aannemelijk heeft gemaakt. Het enkele feit dat de South-South zone in Nigeria – waar eiser vandaan komt – op de zesde en laagste plek staat als het aankomt op geweld tegen christenen, sluit niet uit dat daar geregeld geweld wordt gepleegd tegen christenen, zij het minder dan in de overige vijf gebieden. Verder heeft eiser in zijn zienswijze naar meerdere bronnen verwezen waaruit blijkt van geweld tegen christenen en mensen die aan ‘same-sex sexual activity’ doen in Nigeria. [7] Tijdens de zitting heeft eiser aanvullend naar voren gebracht dat hij ook vanwege zijn homoseksuele gerichtheid een groter risico loopt om slachtoffer te worden van geweld.
10.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor jihadisten niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft er allereerst terecht op gewezen dat eiser tot de meerderheid behoort als het aankomt op zijn stam en zijn religie, nu Zuid-Nigeria overwegend christelijk is. Ook heeft de minister terecht overwogen dat hij geen persoonlijke problemen met jihadisten naar voren heeft gebracht. Over de door eiser aangehaalde landeninformatie heeft de minister terecht overwogen dat het om algemene informatie gaat die niets zegt over eisers persoonlijke situatie, en dat die landeninformatie bovendien juist aantoont dat het geweld meer in andere gebieden plaatsvindt dan in de omgeving waar eiser vandaan komt. Dat de landeninformatie niet compleet uitsluit dat er desondanks in lagere mate geweld tegen christenen plaatsvindt in eisers omgeving, doet er niet aan af dat eiser geen persoonlijke redenen naar voren heeft gebracht waarom hij voor dit geweld door jihadisten zou moeten vrezen. Dat eiser meer te vrezen heeft voor geweld omdat hij homoseksueel is, wordt ook niet gevolgd. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de minister eisers homoseksuele gerichtheid immers ongeloofwaardig mogen vinden.
Heeft de minister terecht een terugkeerbesluit opgelegd?
11. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd, nu eiser bij terugkeer in het land van herkomst te vrezen heeft voor zijn leven, althans voor een behandeling die in strijd is met artikel 4 van Pro het EU Handvest en/of artikel 3 van Pro het EVRM.
11.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft een terugkeerbesluit mogen opleggen. Gelet op wat eerder in deze uitspraak is overwogen, heeft de minister zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet hoeft te vrezen voor vervolging of ernstige schade.

Conclusie en gevolgen

12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
2.Nader gehoor van 6 november 2025, pagina’s 4 en 6.
3.Idem, pagina’s 6 en 7.
4.Idem, pagina 7.
5.Idem, pagina 12.
6.Idem, pagina 8.
7.Eiser verwijst naar Human Dignity Trust ([website 1]), het World Report 2025 van Human Rights Watch ([website 2]), Alliance Against Genocide ([website 3]) en een nieuwsartikel van Anadolu Agency (AA) ([website 4]).