Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11889

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
NL26.8978
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 28 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid problemen politieke overtuiging

Eiser, een Georgische staatsburger en lid van de Georgische Verenigde Nationale Beweging, diende op 24 november 2025 een asielaanvraag in. Hij stelde dat hij vanwege zijn politieke overtuiging problemen had ondervonden, waaronder ontslag en mishandeling door door de Georgische overheid gesteunde personen, en dat hij bij terugkeer opnieuw gevaar loopt.

De minister wees de aanvraag op 12 februari 2026 af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de problemen die eiser als gevolg van zijn politieke overtuiging zou hebben ondervonden. De rechtbank behandelde het beroep op 16 april 2026 en oordeelde dat de minister terecht oordeelde dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor het causaal verband tussen zijn politieke overtuiging en de problemen.

Daarnaast concludeerde de rechtbank dat eiser geen prominente rol had in zijn politieke activiteiten en sinds 2020/2021 geen uiting meer gaf aan zijn politieke overtuiging, waardoor hij geen gegronde vrees voor vervolging heeft. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de afwijzing van de asielaanvraag in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8978

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.M. Veld),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de problemen als gevolg van de politieke overtuiging van eiser niet geloofwaardig zijn en terecht geconcludeerd dat eiser op grond van alleen zijn politieke overtuiging geen verdragsvluchteling is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop van deze zaak. Onder 3 staat een beschrijving van het asielrelaas van eiser en onder 4 staat waarom de minister de asielaanvraag heeft afgewezen. De beoordeling van de beroepsgronden volgt vanaf overweging 5. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 24 november 2025 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 12 februari 2026 afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Georgische nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1983. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is lid van de Georgische Verenigde Nationale Beweging (VNB) en heeft als gevolg van zijn lidmaatschap en activiteiten problemen ondervonden. In eerste instantie werd eiser ontslagen, maar later werd hij ook meerdere keren mishandeld door mensen die door de Georgische overheid waren gestuurd. Na de laatste mishandeling – waarvoor eiser ook in het ziekenhuis is behandeld – is eiser gevlucht. Bij terugkeer vreest hij dat hij opnieuw zal worden mishandeld.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) Politieke overtuiging;
(3) Problemen met de Georgische autoriteiten als gevolg van deze politieke
overtuiging.
4.1.
De minister stelt zich hierover op het volgende standpunt. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De minister vindt het ook geloofwaardig dat eiser een politieke overtuiging heeft. De minister vindt het echter niet geloofwaardig dat eiser als gevolg van deze politieke overtuiging problemen heeft ondervonden met de Georgische autoriteiten. De minister heeft daarom alleen beoordeeld of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit, herkomst of politieke overtuiging in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Omdat dat volgens de minister niet het geval is, heeft hij de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Mocht de minister de problemen als gevolg van de politieke overtuiging van eiser ongeloofwaardig vinden?
5. Eiser betoogt dat de minister de problemen als gevolg van zijn politieke overtuiging niet ongeloofwaardig mocht vinden.
5.1.
Het is tussen partijen niet in geschil dat eiser de problemen als gevolg van zijn politieke overtuiging niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. De minister heeft daarom aan de hand van de verklaringen van eiser en de overige overgelegde stukken alsnog beoordeeld of deze problemen geloofwaardig zijn. Dit is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en d, van de Vw 2000.et is
Verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel (voorwaarde c)
6. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat zijn verklaringen over zijn problemen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser stelt voorop dat niet valt in te zien waarom de minister zijn verklaringen over zijn politieke overtuiging geloofwaardig vindt, maar zijn verklaringen over de problemen als gevolg hiervan niet. Eiser stelt verder dat hij voldoende heeft uitgelegd waarom hij in de zomer van 2013 is ontslagen bij de gemeente vanwege zijn politieke overtuiging: men zocht naar een reden om eiser te ontslaan en heeft het niet willen meewerken aan de corruptie van collega’s als smoes gebruikt om eiser te ontslaan. Ook heeft eiser voldoende uitgelegd waarom hij weet te zijn mishandeld door personen die gelieerd zijn aan de Georgische autoriteiten. Gelet op het feit dat de minister eiser volgt in wat er tijdens de mishandelingen is gezegd en in zijn stelling dat de mishandelingen in het belang van de overheid zijn, valt niet in te zien waarom eiser op dit punt niet wordt gevolgd. Dat eiser nadien nog een Georgisch paspoort heeft kunnen krijgen en legaal heeft kunnen uitreizen, doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen niet af. Dit gaat immers via andere autoriteiten dan de autoriteiten die achter eiser aan zitten. Tot slot stelt eiser dat hij voldoende heeft onderbouwd dat hij en zijn vrouw dreigberichten via Facebook krijgen van mensen die aan de autoriteiten gelieerd zijn. Voor zover de minister deze onderbouwing onvoldoende vindt, had het op zijn weg gelegen eiser hierover (aanvullend) te horen.
6.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van eiser over zijn problemen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Dat eiser een (geloofwaardige) politieke overtuiging heeft, wil nog niet zeggen dat hij als gevolg daarvan ook problemen met de Georgische autoriteiten heeft ondervonden. Het is daarom aan eiser om – door middel van documenten of verklaringen – het causaal verband tussen zijn politieke overtuiging en de ondervonden problemen uit te leggen. [2] In zoverre is het dus niet tegenstrijdig dat de minister de politieke overtuiging van eiser wél, maar de problemen als gevolg daarvan niet geloofwaardig vindt. De minister mocht ook tot deze conclusie komen. Eiser heeft verklaard dat hij in 2013 is ontslagen omdat hij niet wilde meewerken aan fraude. [3] Hoewel die weigering van eiser op zichzelf genomen kan zijn ingegeven door zijn politieke overtuiging, betekent dat nog niet dat de politieke overtuiging van eiser feitelijk de (achterliggende) reden voor zijn ontslag is geweest of dat de werkgever van eiser naar een smoes heeft gezocht om eiser te ontslaan. Datzelfde geldt voor de gestelde mishandeling door personen gelieerd aan de Georgische autoriteiten. Eiser heeft weliswaar verklaard hij dit heeft afgeleid uit het feit dat hij op een bepaalde manier is aangesproken en dat hem is gevraagd of hij hoort bij de VNB, [4] maar daarmee is nog niet gezegd dat de Georgische autoriteiten hebben aangestuurd op een mishandeling van eiser. De minister mocht ook aan eiser tegenwerpen dat aan de geloofwaardigheid van zijn problemen afbreuk doet dat hij nadien een paspoort heeft kunnen verkrijgen en legaal heeft kunnen uitreizen. Dat hierbij andere autoriteiten betrokken zijn dan de autoriteiten waarmee eiser problemen heeft, heeft eiser niet onderbouwd. Tot slot stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat de overgelegde dreigberichten geen ander licht doen schijnen op de geloofwaardigheid van de problemen, omdat deze dreigberichten niet van een afzender zijn voorzien en daarom niet kan worden gezegd dat deze afkomstig zijn van de Georgische autoriteiten. De rechtbank volgt eiser daarbij niet in zijn betoog dat de minister hem aanvullend had moeten horen over die dreigberichten. Hoewel de dreigberichten pas bij de correcties en aanvullingen zijn overgelegd, heeft eiser tijdens het nader gehoor al verklaard dat niet te achterhalen is van wie de dreigberichten afkomstig zijn. [5] Het valt daarom niet in te zien waarom de minister eiser hierover nader had moeten horen en eiser heeft in beroep verder ook niet toegelicht wat hij daarover aanvullend had willen verklaren. Gelet op het feit dat het aan eiser is om zijn asielrelaas te onderbouwen, [6] ziet de rechtbank evenmin reden voor het oordeel dat de minister – zoals eiser op zitting heeft gesteld – zich had moeten inspannen om de afzender van de dreigberichten te achterhalen.
Asielaanvraag is niet zo spoedig mogelijk ingediend (voorwaarde d)
7. Eiser betoogt verder dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend om de reden dat hij lange tijd in Duitsland heeft verbleven zonder daar een asielaanvraag te doen.
7.1.
Dit betoog kan naar het oordeel van de rechtbank onbesproken blijven. De minister heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat dit geen dragende tegenwerping was, en dat de tegenwerping dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen (voorwaarde c) voldoende is om de ongeloofwaardigheid van dit asielmotief te kunnen dragen. De minister zou daarom ook tot ongeloofwaardigheid van dit asielmotief hebben geconcludeerd als hij voorwaarde d niet aan eiser zou hebben tegengeworpen. Eiser heeft dit standpunt niet betwist en de rechtbank ziet ook geen reden om aan dat standpunt te twijfelen. Gelet op wat de rechtbank hiervoor onder 6.1 heeft overwogen, zou een oordeel van de rechtbank over dit betoog daarom niets veranderen aan de conclusie over deze beroepsgrond en ziet de rechtbank geen aanleiding het betoog inhoudelijk te bespreken.
Conclusie over deze beroepsgrond
8. De minister vindt de problemen als gevolg van de politieke overtuiging van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig.
Is eiser verdragsvluchteling?
9. Eiser betoogt dat hij verdragsvluchteling is, omdat hij vanwege zijn politieke overtuiging gegronde vrees voor vervolging heeft. [7] Met het standpunt dat eiser geen prominente rol had bij zijn activiteiten voor de VNB heeft de minister niet onderkend dat eiser mensen voor demonstraties mobiliseerde en deze demonstraties zodoende niet zonder eiser zouden hebben kunnen plaatsvinden. Daarnaast is van belang dat eiser lange tijd noodgedwongen geen uiting heeft gegeven aan zijn politieke overtuiging, terwijl hij dat wel wilde doen. Hem kan daarom niet worden tegengeworpen dat hij lange tijd geen uiting heeft gegeven aan zijn politieke overtuiging. Verder heeft de minister niet onderkend dat hij niet alleen moet beoordelen of de politieke overtuiging van eiser de negatieve belangstelling van de Georgische autoriteiten heeft gewekt, maar ook of dat in de toekomst nog kan gebeuren. [8] Dat laatste heeft de minister onvoldoende gedaan.
9.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser geen verdragsvluchteling is. Het enkele feit dat politieke tegenstanders in Georgië in toenemende mate worden vervolgd vanwege hun politieke voorkeur, maakt – zoals de minister terecht stelt – niet dat ook eiser daarmee te maken zal krijgen en dat eiser daarom een gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiser zal die vrees immers moeten individualiseren, [9] en is daarin niet geslaagd. De minister heeft in de eerste plaats terecht gesteld dat in het geval van eiser niet is gebleken van een sterke politieke overtuiging, omdat hij bij de (lokale) activiteiten waaraan hij heeft deelgenomen geen prominente rol heeft gespeeld en sinds 2020 of 2021 geen uiting meer geeft aan zijn politieke overtuiging. De minister heeft, anders dan eiser heeft gesteld, in deze motivering betrokken dat eiser mensen voor demonstraties mobiliseerde. De minister heeft echter gesteld dat eiser hiermee niet in de publieke aandacht is komen te staan, zodat hieruit geen prominente rol volgt. Eiser heeft dat standpunt verder niet inhoudelijk betwist. Daarnaast heeft eiser weliswaar verklaard dat hij vanaf 2020 of 2021 terughoudendheid heeft betracht in zijn politieke uitingen uit angst voor problemen op zijn werk, [10] maar wijst de minister er niet ten onrechte op dat eiser in 2024 ontslag heeft genomen [11] en zijn politieke uitingen nadien niet heeft geïntensiveerd. Verder heeft de minister terecht gesteld dat niet valt in te zien waarom eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling van de Georgische autoriteiten komt te staan. De minister heeft er in dit verband immers op gewezen dat eiser niet eerder problemen met de Georgische autoriteiten heeft ondervonden en de rechtbank kan dat standpunt, gelet op wat onder 8 is overwogen, volgen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Vergelijk artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000.
3.Zie het verslag van het nader gehoor van 6 februari 2026, p. 18.
4.Zie het verslag van het nader gehoor van 6 februari 2026, p. 20.
5.Zie het verslag van het nader gehoor van 6 februari 2026, p. 25.
6.Vergelijk artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000.
7.Eiser wijst ter onderbouwing op de verslechterende situatie in Georgië voor politieke tegenstanders en verschillende nieuwsberichten (van onder meer de NOS en Trouw) waarnaar hij in de zienswijze heeft verwezen.
8.Eiser wijst op HvJEU 21 september 2023, C-151/22, ECLI:EU:C:2023:688 (
9.Zie paragraaf C2/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
10.Zie het verslag van het nader gehoor van 6 februari 2026, p. 23.
11.Zie het verslag van het nader gehoor van 6 februari 2026, p. 24.