ECLI:NL:RBDHA:2026:11892

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
NL25.6911c en NL24.8221
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:72 AwbArt. 20 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling rechtmatig verblijf en familieleven op grond van artikel 8 EVRM bij afwijzing verblijfsvergunning

Eiseres, geboren in 1956 en Braziliaanse, heeft twee zoons die sinds 1999 de Nederlandse nationaliteit bezitten. Zij diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke werd afgewezen omdat zij geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf had. Verweerder erkende wel privéleven maar niet het familieleven tussen eiseres en haar zoons in de zin van artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelt dat eiseres rechtmatig verblijf had in de periode 1999-2006 op grond van het Chavez-arrest, dat terugwerkende kracht toekent aan afgeleid verblijfsrecht. Tevens is vastgesteld dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en haar zoons, die de gebruikelijke emotionele band overstijgen, mede door hun mentale problematiek en financiële afhankelijkheid.

Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 8 EVRM Pro, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt het besluit, draagt verweerder op binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak en treft een voorlopige voorziening waardoor eiseres niet mag worden uitgezet totdat een nieuw besluit is genomen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning, stelt rechtmatig verblijf vast met terugwerkende kracht en draagt verweerder op een nieuwe belangenafweging te maken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.6911 (beroep) en NL24.8221 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. Vreede),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Ohrtmann).

Inleiding

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Eiseres is het niet eens met de afwijzing daarvan. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan en heeft de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de zoon van eiseres ( [zoon 1] ), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.6911:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 18 januari 2025;
  • draagt verweerder op om binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802 aan proceskosten aan eiseres;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden;
  • treft ambtshalve een voorlopige voorziening die inhoudt dat eiseres Nederland niet mag worden uitgezet totdat verweerder opnieuw op haar bezwaar heeft beslist.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.8221:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
2.1.
Eiseres is geboren op [geboortedag 1] 1956 en heeft de Braziliaanse nationaliteit. Eiseres heeft twee zoons met haar voormalig partner. Eén van die zoons is de referent in deze zaak: [zoon 1] , geboren op [geboortedag 2] 1982. De andere zoon is [zoon 2] , geboren op [geboortedag 3] 1988. Eiseres is op 26 mei 1994 met haar zoons naar Nederland gereisd. De zoons hebben op 9 augustus 1999 de Nederlandse nationaliteit verkregen.
2.2.
Eiseres heeft op 4 oktober 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, in verband met het uitoefenen van familie- of gezinsleven en privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] .
2.3.
Met het primaire besluit van 1 februari 2024 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat eiseres geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft. Verweerder heeft aangenomen dat eiseres privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM heeft in Nederland, maar heeft de belangenafweging in dat kader in haar nadeel laten uitvallen. Verweerder heeft geen familieleven aangenomen in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiseres en haar zoons. Dit besluit is ook een terugkeerbesluit.
2.4.
Met het bestreden besluit van 18 januari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Voor de belangenafweging in het kader van privéleven heeft verweerder verwezen naar de belangenafweging in het primaire besluit. Verweerder heeft daartoe onder meer gesteld dat hij niet met terugwerkende kracht kan vaststellen of eiseres een afgeleid verblijfsrecht had op grond van het arrest Chavez-Vilchez [2] .
2.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank oordeelt als volgt.
Chavez-verblijfsrecht
3.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de periode waarin de zoons van eiseres
EU-burgers zijn geweest voordat zij volwassen werden zeven jaar en iets meer dan drie maanden bedraagt.
3.2.
Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State kan een eerder afgeleid verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez worden vastgesteld op het moment dat daar rechtsgevolgen aan verbonden kunnen zijn. Dat is hier evident het geval, aangezien de belangenafweging onder artikel 8 van Pro het EVRM daardoor anders zou kunnen uitvallen.
3.3.
Het feit dat het arrest Chavez-Vilchez dateert van na het bereiken van de volwassen leeftijd van de zoons van eiseres, doet hier volgens de rechtbank niet aan af. Het arrest Chavez-Vilchez heeft vastgesteld welke rechten uit artikel 20 van Pro het VWEU [3] voortvloeien. Dat artikel was reeds van toepassing op het moment dat de zoons van eiseres Nederlandse staatsburgers werden.
3.4.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar zoons in de periode tussen 9 augustus 1999 en 16 november 2006 het grondgebied van de Europese Unie hadden moeten verlaten als eiseres in die periode Nederland had moeten verlaten. Uit de door haar verstrekte stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat de wettelijke, financiële en affectieve last, evenals de dagelijkse zorg, in overwegende mate bij eiseres lag. In dit specifieke geval maakt ook de hele context van hun komst naar Nederland dat de rechtbank voldoende aannemelijk acht dat de zoons van eiseres met haar naar Brazilië terug hadden moeten keren als zij toen gedwongen was om het grondgebied van Nederland te verlaten.
3.5.
Dat betekent volgens de rechtbank dat eiseres in de periode tussen 9 augustus 1999 en 16 november 2006 rechtmatig verblijf in Nederland had. Dit rechtmatig verblijf is door verweerder niet meegewogen in de besluitvorming. Dat is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
Familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in de relatie met haar zoons sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden tussen volwassen familieleden overstijgen.
4.2.
In algemene zin is daarbij voor de rechtbank van belang hoe eiseres naar Nederland is gekomen en na de eerste periode haar leven met haar kinderen vorm heeft moeten geven. Zij had moeite om zich zonder haar man staande te houden in Brazilië en is uiteindelijk op aandringen van haar ex-man, die in Nederland verbleef, naar Nederland gegaan. Omdat het in één huishouden verblijven met haar ex-man en zijn nieuwe vrouw al vrij snel spanningen opleverde, heeft zij het gezamenlijke huishouden met haar zoons verlaten. Ze heeft vervolgens een hele tijd een relatief instabiel leven geleid, waarbij ze de zorg had voor haar twee zoons, die allebei een ‘rugzakje’ hebben (waaronder een autistische stoornis). Deze startpositie betrekt de rechtbank bij de beoordeling van hun huidige familieleven onder het toepasselijke toetsingskader.
4.3.
De eerste constatering is dan dat niet is betwist dat eiseres samenwoont met haar oudste zoon en dat haar jongste zoon zeer dichtbij woont. In ieder geval met haar oudste zoon bestaat dus een continue samenwoning vanaf het moment dat zij samen naar Nederland zijn gekomen.
4.4.
Vervolgens acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat eiseres financieel afhankelijk is van haar zoons. Eiseres heeft een grote hoeveelheid stukken overgelegd. Dat wat zij daarover verklaard heeft aannemelijk is, volgt volgens de rechtbank voldoende uit de combinatie van haar leeftijd en het feit dat zij gedurende meer dan 30 jaar formeel geen legale status in Nederland heeft gehad en dus ook nooit rechten heeft opgebouwd.
4.5.
De vraag is vervolgens, of behalve deze elementen nog sprake is van afhankelijkheid vanwege gezondheidsproblemen of anderszins sprake is van feitelijke zorg, en of er sprake is van overige feiten en omstandigheden die bijkomende elementen van afhankelijkheid vormen. Deze beide criteria zal de rechtbank gezamenlijk bespreken, omdat deze volgens de rechtbank in dit geval nauw met elkaar verweven zijn.
4.6.
Eiseres heeft een aanzienlijk aantal stukken overgelegd waaruit blijkt dat haar zoons met permanente mentale problemen kampen en dat die een belangrijke rol spelen in hoe zij hun levens tot aan de dag van vandaag vormgeven. Hoewel er geen sprake is van mentale problemen die leiden tot permanente ondersteuning bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen, is met name voor de gediagnosticeerde autistische spectrumstoornis een stabiele leefomgeving met duidelijke steunfiguren van groot belang. De rechtbank vindt dit een dermate bekend aspect van deze stoornis dat zij dit in deze procedure als een feit van algemene bekendheid beschouwt. Uit de stukken blijkt dat eiseres deze rol altijd heeft vervuld voor haar beide zoons en dat zij dat nog altijd doet. Hoewel de beide zoons zelfstandig zijn en tenminste ook deels hun eigen leven leiden, bestaan er in de huidige situatie naar het oordeel van de rechtbank vanuit de overgelegde diagnoses en de informatie over de band van beide volwassen zoons met hun moeder, in combinatie met de samenwoning en de financiële afhankelijkheid, voldoende bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hen. Met andere woorden, uit de uitvoerige informatie die eiseres heeft verstrekt bij haar aanvraag en in beroep blijkt volgens de rechtbank van een band tussen eiseres en haar zoons die de gebruikelijke emotionele band tussen ouders en hun volwassen kinderen overstijgt.
4.7.
Het besluit is op dit onderdeel naar het oordeel van de rechtbank daarom in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM. In lijn met het door de rechtbank aangenomen familieleven is het ontbreken van een belangenafweging in het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
Belangenafweging privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM
5. Eiseres heeft in haar bezwaarschrift gewezen op omstandigheden die volgens haar expliciet door verweerder bij de belangenafweging op grond van haar privéleven hadden moeten worden betrokken. [4] Verweerder heeft in het bestreden besluit enkel opnieuw verwezen naar de overwegingen in het primaire besluit. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder daarmee onvoldoende inhoudelijk heeft gereageerd op hetgeen eiseres daarover in het bezwaarschrift heeft aangevoerd. Zeker in het licht van de hiervoor geconstateerde overige gebreken in de besluitvorming, waaronder met name het vastgestelde eerdere rechtmatig verblijf, had verweerder een uitgebreidere belangenafweging van het privéleven moeten doen. Het besluit is daarmee in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

Conclusie en gevolgen

6.1.
Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet, gelet op de aard van de geconstateerde gebreken, geen ruimte om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en vindt het niet opportuun om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal een nieuw besluit op het bezwaar moeten nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank geeft verweerder daarvoor een termijn van zes weken. De rechtbank wijst er voor de volledigheid op dat ook alleen het gegronde beroep op het Chavez-verblijfsrecht reden zou zijn geweest voor de rechtbank om verweerder op te dragen een nieuw besluit te nemen, gelet op het wezenlijke belang van de eerdere periode van rechtmatig verblijf in deze zaak voor de te verrichten belangenafweging. Het is aan verweerder om deze afweging te maken.
6.2.
Aan een beoordeling van de overige beroepsgronden komt de rechtbank, gelet op het zojuist besprokene, niet toe.
6.3.
De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting van eiseres te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding meer tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank nu op het beroep van eiseres heeft beslist.
6.4.
De rechtbank ziet wel aanleiding om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de beroepsprocedure een voorlopige voorziening te treffen. Reden hiervoor is dat nu het bestreden besluit is vernietigd eiseres zich gesteld ziet voor de rechtsgevolgen van het primaire besluit. Dit betekent dat eiseres’ vertrekplicht herleeft. Om te voorkomen dat eiseres door het gegronde beroep in een procedureel ongunstigere situatie terecht komt, treft de rechtbank een voorlopige voorziening. De rechtsgevolgen van het primaire besluit worden opgeschort en eiseres mag niet worden uitgezet, totdat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar heeft genomen.
6.5.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde van eiseres heeft een beroepschrift en een verzoekschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.802,-.
6.6.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026 door mr. M.F.A.M. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
3.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
4.Zie ook punten 5, 6 23 en 28 van de beroepsgronden van 17 maart 2025.