Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11893

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/09/702947 / KG ZA 26/366
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verstekvonnis tot ontruiming huurwoning door ex-partner na beëindiging relatie

In deze kortgedingprocedure vordert de vrouw dat haar ex-partner de huurwoning verlaat, de sleutels overhandigt en zich uitschrijft van het adres. De man is geen huurder en verblijft zonder recht of titel in de woning. Ondanks herhaalde verzoeken weigert hij te vertrekken.

De man verschijnt niet op de zitting, waarna verstek wordt verleend. De voorzieningenrechter oordeelt dat de vorderingen toewijsbaar zijn omdat de man geen recht heeft om in de woning te verblijven. De vrouw is de enige huurder en er is geen sprake van medehuurderschap of geregistreerd partnerschap.

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen toe om de woning te verlaten, sleutels te overhandigen en medewerking te verlenen aan uitschrijving, met een dwangsom van €250 per dag bij niet-naleving, tot een maximum van €15.000. Een vordering tot exclusief gebruik van de woning en inboedel wordt afgewezen wegens onduidelijkheid en gebrek aan grondslag.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij partijen ieder hun eigen kosten dragen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en heeft dezelfde kracht als een authentieke akte voor de medewerking aan uitschrijving.

Uitkomst: De ex-partner is veroordeeld om binnen drie dagen de huurwoning te verlaten en sleutels te overhandigen, met een dwangsom bij niet-naleving.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/702947 / KG ZA 26/366
Vonnis in kort geding van 15 mei 2026
in de zaak van
[eiseres]te [woonplaats] ,
eiseres,
hierna: de vrouw,
advocaat mr. W.B. Janssens,
tegen:
[gedaagde]te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna: de man,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
De vrouw heeft op 15 april 2026 de dagvaarding met producties 1 t/m 6 doen uitbrengen en heeft ter zitting van 12 mei 2026 bij de daarin opgenomen eis volhard.
1.2.
Na het uitroepen van de zaak heeft de voorzieningenrechter geconstateerd dat de man niet is verschenen. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding op de door de wet voorgeschreven wijze aan de man is betekend. Nu ook overigens is voldaan aan de voorgeschreven termijnen en formaliteiten, wordt tegen de man verstek verleend. Daarbij is ook van belang dat de vrouw desgevraagd heeft verklaard dat de man van de zitting weet, maar ervoor heeft gekozen om niet te verschijnen.

2.De beoordeling van het geschil

2.1.
De vrouw heeft de vorderingen ingesteld zoals opgenomen in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. Er is geen verweer gevoerd. De vorderingen zijn daarom toewijsbaar, tenzij deze de voorzieningenrechter ongegrond of onrechtmatig voorkomen. Daarbij zal de voorzieningenrechter haar beslissing baseren op de bij dagvaarding gestelde feiten, omdat deze niet zijn weersproken. Gelet hierop oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.
2.2.
Partijen hebben vijftien jaar een affectieve relatie met elkaar gehad wonen op dit moment nog samen in een huurwoning waarvan de vrouw de enige huurder is. Alleen zij staat als huurder in de schriftelijke overeenkomst en gesteld noch gebleken is dat partijen daarna een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, zijn getrouwd of medehuurderschap hebben aangevraagd en verkregen. De man is geen huurder en heeft geen eigen recht om daar te wonen; hij mag dat alleen als de vrouw dat goedvindt.
2.3.
De vrouw heeft de man sinds het verbreken van de relatie meermalen verzocht om de woning te verlaten en zich uit te schrijven van het adres, maar dit weigert hij. Dat maakt dat een ordemaatregel op zijn plaats is omdat de man inmiddels zonder recht of titel in de woning verblijft. De vorderingen van de vrouw om de man te veroordelen om de woning te verlaten, de sleutels af te geven en zich te laten uitschrijven zijn daarom toewijsbaar.
2.4.
De voorzieningenrecht ziet geen grond om daarnaast – zoals de vrouw vordert - te ‘bepalen dat de vrouw met uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning en de zich daarin bevindende inboedel’. Welke voorziening de vrouw daarmee voor ogen staat is onduidelijk aangezien geen sprake is van medehuurderschap, en over de ((mede)eigendom van de) inboedel niets naar voren gebracht op grond waarvan een voorziening als gevorderd kan worden toegewezen.
2.5.
Omdat partijen gewezen partners zijn en het geschil voortkomt uit (de beëindiging van) hun relatie, worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat partijen hun eigen kosten dragen.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter:
3.1.
verleent verstek tegen gedaagde;
3.2.
veroordeelt de man om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te verlaten en niet meer te betreden en om alle sleutels aan de vrouw te overhandigen;
3.3.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom van € 250,- te betalen per dag dat hij niet aan de veroordeling onder 3.2 voldoet, met een maximum van € 15.000,-;
3.4.
veroordeelt om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan de uitschrijving van het adres [adres] ;
3.5.
bepaalt dat dit vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van gedaagde waarmee hij de rechtshandeling(en) verricht strekkende tot de in 3.4 bedoelde medewerking indien hij niet aan de veroordeling in 3.4 voldoet;
3.6.
verklaart de beslissingen in 3.2 tot en met 3.5 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.
JvL