Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11894

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/09/684190 / FA RK 25-3095
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Brussel II terArt. 16 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:253b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot gezamenlijk ouderlijk gezag en omgangsregeling met minderjarige kinderen

De vader verzoekt gezamenlijk ouderlijk gezag over zijn twee minderjarige kinderen en een omgangsregeling. De kinderen hebben de Nigeriaanse nationaliteit en verblijven in Nederland, waardoor de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is.

Ten aanzien van het oudste kind oefent de moeder het eenhoofdig gezag uit omdat de ouders niet getrouwd waren en geen gezamenlijk gezag is vastgelegd. De rechtbank constateert een ernstig verstoorde relatie tussen ouders, waarbij de moeder mishandeling door de vader beweert, wat deze ontkent. Er is geruime tijd geen contact geweest tussen vader en kind. De rechtbank acht het noodzakelijk een raadsonderzoek te gelasten om de belangen van het kind te beoordelen en een passende omgangsregeling te bepalen.

Voor het jongste kind is de juridische vaderschapssituatie onduidelijk; de vader heeft het kind niet erkend en is juridisch niet vader. Daarom worden zijn verzoeken tot gezag en omgang voorlopig afgewezen. De rechtbank houdt de zaak aan tot ontvangst van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en zal de behandeling voortzetten op een nader te bepalen datum.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot gezamenlijk gezag en omgang voorlopig af en gelast een raadsonderzoek, met aanhouding van de zaak tot november 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3095
Zaaknummer: C/09/684190
Datum beschikking: 02 april 2026

Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Sanli in Helmond.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het bericht van 30 april 2025 met bijlage van de vader.
Op 10 maart 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader bijgestaan door zijn advocaat en een tolk;
  • de moeder;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats 1].
  • De vader heeft [minderjarige 1] erkend.
  • [minderjarige 1] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
  • De vader, de moeder en [minderjarige 1] hebben de Nigeriaanse nationaliteit.
  • De moeder heeft nog een minderjarig kind:
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats 2].

Verzoek en verweer

De vader verzoekt, voor zover mogelijk met uitvoerbaar verklaring bij voorraad:
  • hem te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2], in die zin dat hij en de vrouw gezamenlijk gezag over hen uitoefenen;
  • een zorgregeling c.q. omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en de kinderen, waarbij er contact c.q. omgang tussen hen is:
  • primair: wekelijks van vrijdag 15:00 uur tot zondag 18:00 uur;
  • subsidiair: om de veertien dagen van vrijdag 15:00 uur tot zondag 18:00 uur;
  • gedurende een aaneengesloten periode van de helft van de (school)vakanties, feestdagen en bijzondere dagen;
  • meer subsidiair: een regeling die de rechtbank juist acht.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

De rechtbank bespreekt de verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] apart van elkaar.
Ten aanzien van [minderjarige 1]
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Aangezien de vader, de moeder en [minderjarige 1] de Nigeriaanse nationaliteit bezitten, moet eerst de vraag worden beantwoord welke rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen en welk recht op het verzoek van toepassing is. Het verzoek betreft een geschil over het gezag en valt als zodanig binnen het materiële toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II ter). Op grond van artikel 7, eerste lid, Brussel II ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Aangezien [minderjarige 1] haar gewone verblijfplaats bij de moeder in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Nederlands recht is op het verzoek van toepassing.
Ook moet worden beoordeeld wie nu het gezag heeft over [minderjarige 1]. Artikel 16 eerste Pro lid van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 bepaalt dat het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, wordt beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van de minderjarige. Uit de geboorteakte volgt dat [minderjarige 1] in Nederland, te weten in [geboorteplaats 1], is geboren. De rechtbank stelt dan ook vast dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] in Nederland is. De vraag wie van rechtswege het gezag over [minderjarige 1] heeft, wordt daarom beheerst door Nederlands recht.
Omdat de ouders van [minderjarige 1] ten tijde van haar geboorte niet waren getrouwd en geen aantekening hebben laten maken van het gezamenlijk gezag, stelt de rechtbank vast dat de moeder op grond van artikel 1:253b van het Burgerlijk Wetboek (BW) van rechtswege het eenhoofdig gezag uitoefent over [minderjarige 1].
Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling
De vader verzoekt hem mede met het gezag te belasten en een zorgregeling c.q. omgangsregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen. Daarbij stelt de vader dat hij het belangrijk vindt om mede beslissingen te kunnen nemen en te worden geïnformeerd over de kinderen. De moeder maakt volgens de vader ieder contact met de kinderen onmogelijk. De vader wenst structureel contact met de kinderen te hebben en is daarbij in de mogelijkheid om zijn locatie te wijzigen naar een ander asielzoekerscentrum zodat hij dichter bij de kinderen woont. De moeder heeft op de zitting verweer gevoerd.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting is gebleken dat er sprake is van een ernstig verstoorde verhouding tussen partijen. Het is de rechtbank gebleken dat de moeder angstig is tegenover de vader, maar het is niet duidelijk wat er precies is voorgevallen. De moeder verblijft op een voor vader onbekend adres (in een azielzoekerscentrum) De moeder stelt dat de vader haar heeft mishandeld en dat zij om deze reden samen met [minderjarige 1] is vertrokken uit het asielzoekerscentrum (waar zij eerst samen met de vader verbleef), terwijl zij in verwachting was van [minderjarige 2]. De vader ontkent dat hij de moeder heeft mishandeld. Gebleken is dat de laatste keer dat de vader [minderjarige 1] heeft gezien tijdens een videobelmoment in november 2024 was. Gelet op de stukken en op wat op de zitting naar voren is gebracht, acht de rechtbank zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om te kunnen beoordelen of het in het belang van [minderjarige 1] is dat de vader mede met het gezag wordt belast en/of er contact c.q. omgang tussen de vader en [minderjarige 1] zal plaatsvinden. De rechtbank acht het daarom noodzakelijk om een raadsonderzoek te gelasten.
De rechtbank wil de Raad vragen onderzoek te doen en de volgende vragen daarin te betrekken:
Is gezamenlijk gezag in het belang van de [minderjarige 1], of dreigt zij in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening klem of verloren te geraken? Wat is er nodig om eventuele belemmeringen op te heffen?
Is contact c.q. omgang tussen de vader en [minderjarige 1] in haar belang?
Zo ja, welke zorg c.q. omgangsregeling (begeleid of onbegeleid) is in het belang van [minderjarige 1] en op welke wijze kan dat contact gerealiseerd worden? De rechtbank verzoekt de Raad indien nodig/mogelijk de omgang op te starten met behulp van proefcontacten.
Is hulpverlening voor [minderjarige 1] en/of de ouders noodzakelijk, zo ja, welke?
Zijn er volgens de Raad nog andere zaken van belang bij de beoordeling van de zaak?
Daarbij wil de rechtbank opmerken dat beide partijen de Nederlandse taal niet machtig zijn.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de zorgregeling met betrekking tot [minderjarige 1] pro forma aanhouden tot na te noemen datum.
De rechtbank heeft begrepen dat de vader zou willen dat de rechtbank alvast een voorlopige contactregeling bepaalt, zonodig via beeldbellen. De rechtbank zal dit verzoek niet toewijzen. Gelet op de gespannen verhouding tussen partijen en het feit dat er geruime tijd geen omgang tussen de vader en [minderjarige 1] heeft plaatsgevonden en gelet op het feit dat moeder verblijft op een voor vader onbekend adres, kan de rechtbank op dit moment onvoldoende inschatten of omgang, bijvoorbeeld in de vorm van een verplicht belmoment, in het belang van [minderjarige 1] is. De rechtbank acht het wel wenselijk dat zo snel mogelijk contact wordt opgestart, als dit in het belang is van [minderjarige 1], en heeft daarom aan de Raad gevraagd om indien en zodra mogelijk omgang te starten met behulp van proefcontacten.
Ten aanzien van [minderjarige 2]
Ten aanzien van [minderjarige 2] geldt dat de rechtbank de nationaliteit niet heeft kunnen vaststellen. De rechtbank acht zich echter wel bevoegd, gelet op de woonplaats van [minderjarige 2]. Ook is daarmee Nederlands recht van toepassing.
Verzoeker heeft geen geboorteakte overgelegd ten aanzien van [minderjarige 2]. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen wie de ouders zijn van [minderjarige 2]. Uit de BRP volgt dat de moeder wel de moeder is van [minderjarige 2]. De vader stelt dat hij de biologische vader van [minderjarige 2] is en de moeder heeft dit op de zitting niet betwist. Echter, voor zover dit juist is, maakt dit nog niet dat hij de juridische vader is van [minderjarige 2]. Uit het door de vader gestelde maakt de rechtbank op dat de hij [minderjarige 2] in ieder geval niet heeft erkend en dat hij ook niet door een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap de juridische ouder is geworden van [minderjarige 2]. Bij deze stand van zaken moet de rechtbank het ervoor houden dat hij niet de juridische vader is van [minderjarige 2] en dus dat hij onbevoegd is tot het gezag over [minderjarige 2]. Zijn verzoek met betrekking tot het gezag over [minderjarige 2] dient dan ook in beginsel te worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor zijn verzoek tot omgang. Een biologische ouder kan wel recht hebben op omgang, als er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking. Dit is echter niet gesteld of gebleken.
Bij deze stand van zaken zullen de verzoeken van vader met betrekking tot [minderjarige 2] dus, bij eindbeschikking, in beginsel worden afgewezen. Dit laat onverlet dat de vader alsnog bevoegd kan worden tot het gezag indien hij juridisch vader wordt.

Beslissing

De rechtbank:
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling op de zitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;
beveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling ter zitting ieder via de eigen advocaten op te roepen;
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregelingaan tot
1 november 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. Westerhuis-Evers, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2026.