ECLI:NL:RBDHA:2026:11973

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/09/702692 / KG ZA 26-354
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 lid 2 BWArt. 6:119 BWWet op het financieel toezichtAlgemene Plusvoorwaarden 2020Algemene Bankvoorwaarden 2017
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tegen opzegging hypothecaire lening wegens fraudevermoedens

In mei 2022 hebben eisers gezamenlijk een hypothecaire lening aangevraagd bij Rabobank voor de aankoop van een woning. Tijdens de aanvraag gaven zij aan inkomsten uit loondienst te hebben, maar dit bleek niet juist omdat zij hun dienstverbanden hadden beëindigd en later eenmanszaken zijn gestart.

Rabobank heeft in juli 2025 een herbeoordeling uitgevoerd en op basis van vermoedens van fraude en onjuiste informatie de klantrelatie opgezegd en de lening opgeëist. Eisers reageerden niet tijdig op verzoeken om aanvullende documenten en betwistten de fraudevermoedens zonder voldoende bewijs.

De voorzieningenrechter oordeelt dat Rabobank terecht de lening heeft opgezegd, omdat eisers hun informatieplicht hebben geschonden en de opzegging niet onredelijk of disproportioneel is. De vorderingen van eisers worden afgewezen en zij worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eisers af en bevestigt de opzegging van de hypothecaire lening door Rabobank wegens fraudevermoedens.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/702692 / KG ZA 26-354
Vonnis in kort geding van 13 mei 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] te [woonplaats] ,

2.
[eiser 2]te [woonplaats] ,
3.
[eiser 3]te [woonplaats] ,
eisers,
advocaat mr. J.P. van Rossum te Den Haag,
tegen:
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.te Utrecht,
gedaagde,
advocaat mr. M. van den Broek te Leiden.
Eisers worden hierna respectievelijk aangeduid als [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en gezamenlijk als: [eisers] c.s. Gedaagde wordt hierna Rabobank genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 april 2026, met producties 1 tot en met 5;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 17.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 april 2026. De advocaat van [eisers] c.s. heeft het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Die spreekaantekeningen maken deel uit van het dossier.
1.3.
Vonnis was bepaald op 8 mei 2026, maar nader bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
In mei 2022 hebben [eiser 1] , haar echtgenoot [eiser 2] en haar zoon [eiser 3] gezamenlijk, via een tussenpersoon, een hypothecaire geldlening aangevraagd bij Rabobank. Het doel van de hypothecaire lening was het financieren van de aankoop van de woning aan de [adres 1] (de woning). Bij deze aanvraag hebben elk van [eisers] c.s. opgegeven dat zij inkomsten uit loondienst genoten.
2.2.
[eiser 3] en [eiser 1] hebben in respectievelijk mei 2022 en juni 2022 een laatste loonbetaling van hun werkgever Aria Tec V.O.F. ontvangen.
2.3.
Rabobank heeft de lening op 17 juni 2022 aan [eisers] c.s. verstrekt. De hypotheek is op de woning gevestigd. In de hypotheekvoorwaarden staat dat de woning bestemd is voor zelfbewoning.
2.4.
[eiser 1] heeft in augustus 2022 haar eenmanszaak [eenmanszaak 1] opgestart. De bankrekening op naam van de onderneming is ondergebracht bij Rabobank. [eiser 3] heeft in diezelfde maand zijn eenmanszaak [eenmanszaak 2] opgestart.
2.5.
In juli 2025 is het hypotheekdossier van [eisers] c.s. tijdens een interne routinecontrole opnieuw beoordeeld. Naar aanleiding van deze herbeoordeling heeft Rabobank [eisers] c.s. bij aangetekende brieven van 11 juli 2025 en 31 juli 2025 verzocht om stukken toe te zenden: onder meer een uittreksel Basisregistratie Personen (BRP), een UWV verzekeringsbericht en de IB aangifte 2022. Rabobank heeft deze brieven verzonden naar het bij haar geregistreerde adres van [eisers] c.s., namelijk het woonadres ten tijde van de verstrekking van de lening: [adres 2] . De aangetekende brieven van 31 juli 2025 zijn met handtekening in ontvangst genomen. [eisers] c.s. hebben niet op deze brieven gereageerd.
2.6.
Bij brief van 19 augustus 2025 heeft Rabobank [eisers] c.s. meegedeeld dat hun gegevens zijn opgenomen in het Extern Verwijzingsregister van de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (het SFH). In de brief is toegelicht dat dit te maken heeft met het vermoeden dat [eisers] c.s. de woning niet zelf bewonen en dat zij onjuiste inkomensgegevens hebben verstrekt bij de financieringsaanvraag. De brief die aan [eiser 1] is gericht is verzonden naar het adres van de woning, de brieven aan [eiser 2] en [eiser 3] zijn wederom verzonden naar de [adres 2] .
2.7.
Bij brief van 3 september 2025 heeft Rabobank [eisers] c.s. geïnformeerd dat de klantrelatie wordt beëindigd, de hypothecaire lening wordt opgeëist en uiterlijk op 5 januari 2026 moet worden afgelost en dat de gegevens van [eisers] c.s. in het Verwijzingsregister zijn opgenomen. De brief die aan [eiser 1] is gericht is wederom verzonden naar het adres van de woning, de brieven aan [eiser 2] en [eiser 3] zijn verzonden naar de [adres 2] .
2.8.
Op 16 september 2025 en 31 oktober 2025 heeft de advocaat van [eiser 1] in een klachtenprocedure bezwaar gemaakt tegen de opzegging van de klantrelatie met [eiser 1] . Rabobank heeft dit bezwaar op 18 december 2025 afgewezen en de opzegging gehandhaafd.
2.9.
Op 6 maart 2026 heeft Rabobank de zakelijke en persoonlijke betaalrekening van [eiser 1] beëindigd. De aflosdatum van de hypothecaire lening is in afwachting van deze procedure verplaatst naar 30 juni 2026.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] c.s. vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
primair
I. Rabobank te verbieden om zolang er geen eindbeslissing is in het geschil, op grond van de in deze dagvaarding bedoelde beëindiging van de klantrelatie, de registratie van [eisers] en/of de opeising van de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning, executiemaatregelen te nemen of voort te zetten, daaronder mede begrepen maar niet beperkt tot aanzegging van executie, het in gang zetten of voortzetten van een veilingtraject, het geven van verkoopopdrachten, het doen betekenen van executiestukken en het anderszins uitwinnen van het hypotheekrecht;
II. Rabobank te gebieden om gedurende diezelfde termijn de hypothecaire geldlening en de daarop betrekking hebbende rechtsverhouding te behandelen alsof geen opeising heeft plaatsgevonden, in die zin dat Rabobank de lopende hypotheekrelatie dient te gedogen en de reguliere maandelijkse rente- en aflossingsbetalingen van eisers dient te accepteren;
III. Rabobank te gebieden om gedurende diezelfde termijn de beëindiging van de bancaire relatie van [eisers] en haar eenmanszaak [eenmanszaak 1] te schorsen, althans de voor het normale betalingsverkeer noodzakelijke betaalfaciliteiten te herstellen en in stand te houden, waaronder in ieder geval begrepen toegang tot de betaalrekening(en), internetbankieren en bankpassen, voor zover die voorzieningen vóór de beëindiging bestonden;
IV. Rabobank te gebieden om gedurende diezelfde termijn de registratie van [eisers] in het Incidentenregister, het Intern Verwijzingsregister (IVR) en het register van de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (SFH) te schorsen, althans de werking daarvan op te schorten, en voor zover nodig de daartoe vereiste mededelingen te doen aan de betrokken interne afdelingen en aan de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken;
subsidiair
V. voor zover de voorzieningenrechter van oordeel is dat de onder III en IV gevorderde voorzieningen te verstrekkend zijn, zodanige voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter passend acht, strekkende tot behoud van de bestaande toestand en tot voorkoming van executoriale verkoop van de woning hangende een bodemprocedure;
voorts
VI. Rabobank te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en, indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten vanaf het verstrijken van die termijn tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
[eisers] c.s. leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. Het vermoeden van Rabobank dat [eisers] c.s. de woning niet zelf bewonen is onjuist. Ook is [eiser 1] zich er niet van bewust dat er bij de financieringsaanvraag onjuiste informatie aan Rabobank zou zijn gegeven. [eiser 1] en [eiser 3] werken weliswaar niet langer in loondienst, maar alle termijnbetalingen aan Rabobank worden op tijd voldaan. Desondanks heeft Rabobank de klantrelatie met [eisers] c.s. opgezegd en de hypothecaire lening opgeëist. [eisers] c.s. zijn voornemens om een bodemprocedure aan te spannen tegen Rabobank om het beëindigen van de klantrelatie ongedaan te maken. Het opeisen van de lening, wat praktisch neer zal komen op het uit de woning zetten van [eisers] c.s., op basis van enkel vermoedens is in dit geval voorbarig en disproportioneel. Daarom vorderen [eisers] c.s. dat, in afwachting van de uitkomsten van de nog aan te spannen bodemprocedure, de situatie wordt bevroren en dat Rabobank voorlopig geen executiemaatregelen mag treffen.
3.3.
Rabobank voert verweer. Rabobank concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] c.s. in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling van het geschil

Vooraf
4.1.
Eisers in dit kort geding zijn [eiser 1] , haar echtgenoot [eiser 2] en haar zoon [eiser 3] . De stellingen in de dagvaarding wekken de indruk dat het in dit geding alleen gaat om [eiser 1] en haar positie; ook het petitum lijkt (grotendeels) alleen [eiser 1] te betreffen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Rabobank evenwel onderstreept dat de klantrelatie met elk van eisers is beëindigd. Daarom hebben [eiser 2] en [eiser 3] ook belang bij de ingestelde vordering. Hoewel dit uit de dagvaarding niet zo is op te maken gaat de voorzieningenrechter er vanuit dat bedoeld is de vorderingen ten behoeve van alle eisers in te stellen.
De toepasselijke regels
4.2.
Rabobank is bij het verstrekken van een hypothecaire geldlening aan de regels uit de Wet op het financieel toezicht (Wft), de Tijdelijke Regeling Hypothecair Krediet en het interne acceptatiebeleid gebonden. Volgens deze regels moet bij een aanvraag de leencapaciteit worden beoordeeld en berekend. Daarbij geldt dat een inkomen uit vast dienstverband geldt als ‘vast en bestendig inkomen’, terwijl voor inkomen uit een onderneming jaarcijfers en prognoses van de onderneming nodig zijn om de leencapaciteit te kunnen beoordelen. Het is daarom van belang dat (potentiële) leningnemers juiste informatie verstrekken.
4.3.
Verder zijn op de overeenkomst tussen [eisers] c.s. en Rabobank de algemene voorwaarden van Rabobank van toepassing, waaronder de Algemene Plusvoorwaarden 2020 en de Algemene Bankvoorwaarden 2017. Op grond van artikel 4 lid Pro d onder 20 en 21 van de Algemene Plusvoorwaarden 2020 mag Rabobank een lening opeisen wanneer de debiteur onjuiste informatie heeft verstrekt of relevante informatie heeft verzwegen, of als er een vermoeden van fraude bestaat. Wel dient Rabobank bij een opzegging van een klantrelatie rekening te houden met haar bancaire zorgplicht en de belangen van de klant.
4.4.
Tot slot heeft Rabobank zich te richten naar het bepaalde in artikel 6:248 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) en zal een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing zijn voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
De vorderingen van [eisers] c.s. worden afgewezen
4.5.
De voorzieningenrechter zal de vorderingen van [eisers] c.s. afwijzen. Hoewel de gevolgen van de beëindiging van de klantrelatie door Rabobank voor [eisers] c.s. ingrijpend zijn, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de beëindiging van de klantrelatie niet in strijd is met de toepasselijke voorwaarden en dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Dat oordeel wordt hierna uitgelegd.
[eisers] c.s. moesten Rabobank inlichten over het eindigen van loondienst
4.6.
Rabobank heeft op basis van de herbeoordeling in juli 2025 geconcludeerd dat zij op basis van onjuiste (inkomens)informatie de financieringsaanvraag van [eisers] c.s. heeft beoordeeld. Die conclusie acht de voorzieningenrechter begrijpelijk. [eisers] c.s. hebben namelijk ter zitting niet betwist dat tijdens de financieringsaanvraag het dienstverband van [eiser 1] en [eiser 3] was geëindigd (of in elk geval op korte termijn voorzienbaar zou eindigen). Daardoor was het inkomen uit arbeidsovereenkomst weggevallen of zou het als gevolg van een opzegging van het dienstverband wegvallen. Deze verandering van inkomenssituatie hebben [eisers] c.s. niet gemeld aan Rabobank, terwijl zij dit op grond van artikel 4 lid Pro d onder 20 van de Algemene Plusvoorwaarden 2020 wel hadden moeten doen. Dat [eisers] c.s. zich van deze verplichting niet bewust waren, zoals zij stellen, pleit hen daar niet van vrij, temeer niet omdat voor Mustafa c.s. tijdens de aanvraag van de financiering het belang van een vast inkomen duidelijk moet zijn geweest. Rabobank heeft daar immers informatie over opgevraagd, waaronder loonstroken en een werkgeversverklaring. Daarbij is ook nog van belang dat [eisers] c.s. bij de financieringsaanvraag door een professionele tussenpersoon zijn begeleid en deze tussenpersoon de regels over de informatieplicht van de [eisers] c.s. had kunnen uitleggen en behoren uit te leggen.
Rabobank had de lening op basis van de informatie die nu bekend is niet verstrekt
4.7.
Omdat Rabobank de aanvraag op basis van onjuiste informatie heeft beoordeeld, heeft zij een lening aan [eisers] c.s. verstrekt terwijl zij dat bij een juiste voorstelling van zaken niet zou hebben gedaan. Rabobank heeft onbetwist gesteld dat zij op basis van het inkomen dat [eiser 1] uit haar onderneming geniet de lening niet aan [eisers] c.s. zou hebben verstrekt. De reden daarvan is dat op inkomen uit een onderneming een andere leencapaciteitstoets van toepassing is dan op inkomen uit loon en de huidige inkomsten van [eisers] c.s. zijn te laag voor het verstrekte hypotheekbedrag. Dat [eisers] c.s. op dit moment de termijnbetalingen kunnen voldoen en geen betalingsachterstand hebben maakt niet dat Rabobank niet tot opzegging van de klantrelatie mocht overgaan. De opzegging van Rabobank is namelijk niet gebaseerd op gemiste betalingen, maar op de verstrekking van onjuiste informatie over de inkomstenbron van [eisers] c.s. en het vermoeden van fraude.
[eisers] c.s. hebben te lang gewacht met het informeren van Rabobank
4.8.
Het is [eisers] c.s. aan te rekenen dat zij de informatie die Rabobank naar aanleiding van de herbeoordeling heeft opgevraagd niet hebben verstrekt. Sinds juli 2025 heeft Rabobank om bepaalde documenten gevraagd en pas eerst tijdens de mondelinge behandeling hebben [eisers] c.s. gesteld
bereid te zijneen BRP uittreksel, UWV verzekeringsbericht en IB aangifte te verstrekken. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter te laat, nog daargelaten dat het opvalt dat die stukken – na al die maanden – niet ten minste ter gelegenheid van dit kort geding zijn overgelegd. Tegenover het verwijt aan Rabobank dat (een deel van) de correspondentie naar het oude adres van [eisers] c.s. is verzonden, heeft Rabobank onbetwist aangedragen dat [eisers] c.s. hun adreswijziging nooit aan Rabobank hebben doorgegeven. Dat Rabobank de correspondentie naar het bij haar bekende adres heeft verzonden acht de voorzieningenrechter in dat licht niet nalatig en komt voor rekening en risico van [eisers] c.s. Zelfs wanneer zou worden aangenomen dat niet alle schriftelijke berichten van Rabobank [eisers] c.s. hebben bereikt, geldt dat (in elk geval) [eiser 1] al sinds september 2025 juridische bijstand geniet. Sinds die tijd wist zij al (of behoorde zij te weten) welke informatie Rabobank wenste te ontvangen. Hoewel Rabobank inmiddels de relatie al had beëindigd heeft Rabobank ter zitting onweersproken verklaard zich steeds bereid te hebben getoond om inlichtingen en documenten van [eisers] c.s. alsnog in ontvangst te nemen en te beoordelen. Een goede reden om niet (alsnog) aan de informatievraag te voldoen is niet gegeven.
De opgevraagde informatie zou de beslissing van Rabobank waarschijnlijk niet veranderen
4.9.
Tot slot acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat, ook indien [eisers] c.s. de door Rabobank verlangde informatie tijdig zouden hebben verstrekt, de beslissing van Rabobank om de klantrelatie op grond van fraudevermoedens op te zeggen niet anders zou zijn. [eisers] c.s. hebben namelijk niet betwist dat [eiser 3] ten tijde de financieringsaanvraag al geen looninkomsten meer genoot en dat [eiser 1] toen al moet hebben geweten dat haar arbeidsovereenkomst zou eindigen, omdat zij ultimo juni 2022 haar laatste salaris ontving. De voorzieningenrechter acht het niet onbegrijpelijk dat Rabobank in de informatie die voorafgaand aan en tijdens deze procedure aan het licht is gekomen een bevestiging van haar fraudevermoedens heeft gevonden. Daaruit blijkt immers dat [eisers] c.s. het wegvallen van inkomsten uit loondienst niet hebben gemeld en dat kort na de aanvraag eenmanszaken zijn gestart door [eiser 1] en [eiser 3] . Ook de vragen van Rabobank over de documentatie die bij de financieringsaanvraag is aangeleverd hebben [eisers] c.s. onvoldoende beantwoord, zoals de vragen over het opvolgende werknemersnummer van [eiser 1] en [eiser 3] in combinatie met verschillende startdata van de dienstverbanden en het identieke fiscale jaarloon.
Conclusie: het is niet onaanvaardbaar dat Rabobank de geldlening opeist
4.10.
In de gegeven omstandigheden, waaronder het verstrekken van onjuiste informatie bij de aanvraag en het gedurende lange tijd nalaten van het aanleveren van gevraagde documentatie, acht de voorzieningenrechter de beëindiging van de klantrelatie niet onredelijk. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de beëindiging van de klantrelatie ook niet voorbarig en/of disproportioneel, en ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De zwaarwegende gevolgen van de beëindiging voor [eisers] c.s., waaronder het dreigende verlies van het onderdak en de omstandigheid dat [eiser 3] en zijn ook in de woning wonende partner enkele maanden geleden een kind hebben gekregen, ontnemen Rabobank niet de bevoegdheid de relatie te beëindigen. Een belangenafweging leidt niet tot een andere uitkomst, daarbij met name gelet op het voortdurende nalaten om Rabobank (in ieder geval) onverwijld van de gewenste informatie te voorzien – stukken die eenvoudig waren te verkrijgen en verstrekken – toen duidelijk moet zijn geweest dat Rabobank de relatie had beëindigd. Deze conclusie leidt tot afwijzing van de vorderingen I en II.
[eiser 1] heeft geen belang bij het herleven van haar bankrekeningen
4.11.
[eiser 1] heeft geen belang bij haar vordering onder III, het laten ‘herleven’ van haar persoonlijke bankrekening en de zakelijke rekening van haar eenmanszaak [eenmanszaak 1] . Tijdens de mondelinge behandeling is namelijk onbetwist gesteld dat [eiser 1] haar persoonlijke bankrekening al elders heeft geregeld en dat haar eenmanszaak is opgeheven.
De registraties blijven gehandhaafd
4.12.
Rabobank hoeft de registraties in het Incidentenregister, het Intern Verwijzingsregister (IVR) en het register van de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (SFH) niet te schorsen of op te schorten. De voorzieningenrechter is namelijk van oordeel dat Rabobank in redelijkheid heeft mogen aannemen dat de financieringsaanvraag een frauduleus karakter had en dat er gerechtvaardigde twijfels zijn over zelfbewoning, gelet op hetgeen hierover is overwogen. [eisers] c.s. hebben deze aantijgingen betwist, maar hebben de door Rabobank verlangde stukken waarmee zij die betwisting kunnen onderbouwen niet aangeleverd. De voorzieningenrechter concludeert daarom dat Rabobank de registraties heeft mogen laten uitvoeren en ziet geen aanleiding tot schorsing daarvan. De vordering onder IV zal daarom worden afgewezen.
Het subsidiair gevorderde wordt afgewezen
4.13.
De primaire vorderingen van [eisers] c.s. worden afgewezen. Er bestaat ook geen aanleiding voor toewijzing van het mindere van die vorderingen. De subsidiaire vordering onder V wordt daarom ook afgewezen.
[eisers] c.s. moeten de proceskosten van Rabobank betalen
4.14.
[eisers] c.s. zijn is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Rabobank betalen. Deze proceskosten worden begroot op:
- griffierecht € 735,-
- salaris advocaat € 1.306,-
- nakosten
€ 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.041,-
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt [eisers] c.s. in de proceskosten van Rabobank van € 2.041,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eisers] c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt [eisers] c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
km