Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12119

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
C/09/630473 / FA RK 22-3597
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vervangende toestemming erkenning en omgang in familierechtelijke procedure

De rechtbank Den Haag behandelde op 17 april 2026 het verzoek van de man om vervangende toestemming voor erkenning van zijn minderjarige kind en een omgangsregeling. De man was niet verschenen en liet niets meer van zich horen, terwijl de moeder ernstige zorgen uitte over het risico dat de man het kind zonder haar toestemming naar Tunesië zou meenemen. De Raad voor de Kinderbescherming had geadviseerd de toestemming te verlenen, maar de bijzondere curator stond hier tegenover en wilde de juridische situatie in lijn brengen met de biologische werkelijkheid.

De rechtbank oordeelde dat het risico op ontvoering niet kon worden uitgesloten, mede doordat de man niet op de zitting verscheen en zijn intenties onduidelijk bleven. Dit leidde tot spanning en stress bij de moeder, die daarom op een geheim adres woont. De belangen van de moeder en de emotionele ontwikkeling van het kind zouden hierdoor worden geschaad. Daarom werd het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning afgewezen.

Ook het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling werd afgewezen. De man had nauwelijks contact gezocht met het kind en toonde onvoldoende motivatie om een blijvende relatie op te bouwen. De rechtbank zag geen reden om de zaak langer aan te houden en beëindigde de werkzaamheden van de bijzondere curator. Iedere partij draagt de eigen proceskosten.

Uitkomst: Verzoek vervangende toestemming erkenning en omgang afgewezen vanwege risico op ontvoering en gebrek aan contact.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 22-3597
Zaaknummer: C/09/630473
Datum beschikking: 17 april 2026

Vervangende toestemming erkenning en omgang

Beschikking op het op 31 mei 2022 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

De man,
wonende te België,
advocaat: voorheen mr. M. Woudwijk te Amsterdam, nu zonder advocaat.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Vijftigschild te Leidschendam,
en
de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] ,
in rechte vertegenwoordigd door mr. Y.M. Bérénos,
advocaat te Leiden,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

Bij beschikking van 8 februari 2023 van deze rechtbank is:
- vastgesteld dat partijen bij proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Jeugdteams [regio] voor deelname aan de trajecten ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap en omgangsbegeleiding, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzocht bij een niet positief verlopen traject te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
- bepaald dat de man aan de moeder, met ingang van 8 februari 2023 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 25,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang, vervangende toestemming erkenning, bijzondere curator en proceskosten pro forma aangehouden.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
- de brief van 22 april 2025, met bijlage, van de zijde van [hulpverlener] ;
- de brief van 22 mei 2025 van de zijde van de Raad;
- de brief van 30 oktober 2025 van de zijde van de Raad, met als bijlage het rapport van de Raad van 20 oktober 2025 met kenmerk KZ-1-64Y6AFF;
- het bericht van 2 februari 2026 van de zijde van de bijzondere curator.
Op 20 maart 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de bijzondere curator, alsmede mevrouw [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft alles wat in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Partijen zijn in juni 2024 gestart met ouderschapsbemiddeling bij [hulpverlener] . Begin 2025 is het traject vroegtijdig beëindigd. Er zijn geen afspraken tussen partijen vastgelegd en de begeleide omgang tussen de man en [minderjarige] is niet van de grond gekomen. Aan de hand van de rapportage van [hulpverlener] heeft de Raad besloten een onderzoek te verrichten.
Vervangende toestemming erkenning
De Raad concludeert in zijn rapport dat er op dit moment geen reële risico’s aanwezig zijn dat [minderjarige] bij een erkenning door de man wordt belemmerd in een evenwichtige psychosociale en emotionele ontwikkeling. Op basis van de stellingen van partijen kan de Raad niet beoordelen of de kans aanwezig is dat de man [minderjarige] zonder toestemming van de moeder zal meenemen naar Tunesië. Uit het onderzoek van de Raad komt verder naar voren dat het aannemelijk is dat door een erkenning van [minderjarige] door de man de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] enigszins geraakt zouden kunnen worden. De moeder ervaart door het verzoek van de man spanning en stress en het is niet ondenkbaar dat [minderjarige] daar iets van meekrijgt. De Raad heeft echter niet de verwachting dat de moeder ten gevolge van een erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet meer in staat is [minderjarige] het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat zij nodig heeft. Alles overziende en kijkend naar de toetsingscriteria adviseert de Raad om de man de vervangende toestemming tot erkenning te verlenen.
De bijzondere curator blijft bij haar standpunt dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming moet worden gebracht met de biologische werkelijkheid en dat het verzoek van de man daarom moet worden toegewezen.
De rechtbank overweegt als volgt.
De angst van de moeder is met name gelegen in het risico dat de man na een erkenning een Tunesisch paspoort voor [minderjarige] zal aanvragen en vervolgens zonder haar toestemming met [minderjarige] naar Tunesië zal afreizen. Uit de door de Raad en door de moeder zelf ingewonnen informatie blijkt dat de niet kan worden uitgesloten dat de man na erkenning van [minderjarige] een paspoort voor hem kan aanvragen en daarmee, eventueel via een ander Europees land, zonder de toestemming van de moeder naar Tunesië kan reizen. Nu de man niet op de zitting is verschenen en niets meer van zich heeft laten horen, is het voor de rechtbank onduidelijk wat zijn intenties zijn. Daarmee kan de rechtbank het risico dat de man [minderjarige] meeneemt naar Tunesië niet uitsluiten. Dat enkele gegeven leidt tot angst, spanning en stress bij de moeder; om die reden woont zij met haar gezin op een geheim adres. Hiermee worden de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] geraakt. Ook wordt hiermee mogelijk de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] geschaad. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen afwijzen.
Omgang
In het raadsrapport wordt geadviseerd om het besluit omtrent de omgang tussen de man en [minderjarige] voor de duur van zes maanden aan te houden, zodat eerst nog een aantal stappen kunnen worden gezet. Naar de mening van de Raad heeft de man tot nu onvoldoende laten zien dat hij werkelijk de intrinsieke motivatie heeft om blijvend contact met [minderjarige] te hebben. De Raad wil de man hierin nog een laatste kans gunnen. Kortgezegd zouden volgens de Raad de volgende stappen moeten worden uitgevoerd:
- het onderwerp ‘vader’ wordt door de moeder met regelmaat besproken met [minderjarige] , zodat [minderjarige] hiermee vertrouwt raakt en de bij [minderjarige] aanwezige afwijzing zal afnemen;
- de man draagt er zorg voor dat hij de Nederlandse taal dermate goed beheerst dat hij goed verstaanbaar en te volgen is voor [minderjarige] ;
- de man stuurt elke twee weken een e-mail aan de moeder om informatie op te vragen bij de moeder, waarna de moeder binnen vijf dagen op deze e-mail reageert door vragen te beantwoorden en informatie over [minderjarige] te verstrekken;
- de man stuurt elke twee weken een kaart aan [minderjarige] via de advocaten of via opa en oma moederszijde;
- de man stuurt één keer per maand een kort filmpje van zichzelf voor [minderjarige] via de
e-mail aan de moeder waarin hij zichzelf voorstelt en meer over zichzelf vertelt.
Na zes maanden zou de Raad opnieuw onderzoek willen doen naar de mogelijkheden voor omgang tussen de man en [minderjarige] . Gezien het feit dat [minderjarige] de man al lange tijd niet heeft gezien, zal omgang alleen gestart kunnen worden onder begeleiding van een professionele instantie, aldus de Raad.
De rechtbank zal het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling afwijzen. Zij ziet geen aanleiding om de zaak nog langer aan te houden. De afgelopen jaren heeft de man, op het sturen van één kerstcadeau na, geen pogingen gedaan om contact met [minderjarige] te zoeken. De rechtbank kan zich nog enigszins voorstellen dat de man het traject bij [hulpverlener] niet wilde verstoren en zich daarom een tijdlang afzijdig heeft gehouden, maar nadat de Raad in oktober 2025 zijn rapport heeft uitgebracht had het zeker op de weg van de man gelegen om actie te ondernemen en bijvoorbeeld te beginnen met het sturen van kaartjes aan [minderjarige] . Nu de man geen interesse toont in [minderjarige] , niets meer van zich laat horen en ook niet op de zitting is verschenen om zijn kant van het verhaal te vertellen, is er naar het oordeel van de rechtbank geen enkele basis voor omgang.
Beëindiging werkzaamheden bijzondere curator
De vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator is niet meer nodig is. De rechtbank zal om die reden bepalen dat de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd worden beschouwd.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
wijst af de verzoeken van de man;
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, kinderrechter, bijgestaan door mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2026.