Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12123

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
C/09/684082 / FA RK 25-3038
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:84 BWArt. 1:94 BWArt. 1:100 BWArt. 1:102 BWArt. 3:182 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en verdeling beperkte gemeenschap van goederen met huurrechtstoedeling

Partijen zijn gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen en verzoeken de rechtbank om echtscheiding uit te spreken en de verdeling van hun huwelijksgemeenschap vast te stellen.

De rechtbank stelt vast dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en wijst het verzoek tot echtscheiding toe. Het huurrecht van de echtelijke woning wordt aan de vrouw toegewezen, mede vanwege het belang van haar meerderjarige kind dat bij haar woont. De man verblijft sinds de voorlopige voorziening elders.

De verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen vindt plaats op basis van de peildatum van het verzoekschrift. De inboedel wordt verdeeld conform het voorstel van de man, waarbij zijn persoonlijke spullen aan hem worden toegedeeld. Het saldo van bank- en spaarrekeningen wordt bij helfte verdeeld, verminderd met het saldo bij aanvang van het huwelijk.

De man heeft een vergoedingsrecht van €7.500,- wegens een nalatenschapsbedrag dat tot zijn privévermogen behoort en onterecht in de gemeenschap is gevloeid. De schuld aan de gemeente wordt gelijkelijk gedragen tot de peildatum, met een regresrecht voor de vrouw voor betalingen na die datum. Proceskosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, huurrecht aan vrouw toegewezen, beperkte gemeenschap van goederen verdeeld en vergoedingsrecht van man vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3038 (echtscheiding)
FA RK 25-5986 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/684082 (echtscheiding)
C/09/689759 (verdeling)
Datum beschikking: 17 april 2026

Scheiding

Beschikking op het op 23 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. van Bendegem te Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.B. Peters te Zoetermeer.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 28 april 2025 van de zijde van de man, met als bijlage de huwelijksakte;
  • het F9-formulier van 15 mei 2025 van de zijde van de man, met als bijlage het betekeningsexploot;
  • het F9-formulier van 24 juni 2025 van de zijde van de man, met een aanvullend verzoek;
  • het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;
  • het verweerschrift op zelfstandig verzoek tevens houdende een wijziging verzoek;
  • het F9-formulier van 30 juli 2025 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 28 januari 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 9 maart 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 13 maart 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlage;
  • het F9-formulier van 16 maart 2026 van de zijde van de man, met bijlage;
  • het F9-formulier van 17 maart 2026 van de zijde van de man, met bijlage;
  • het F9-formulier van 19 maart 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.
Op 20 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man met zijn advocaat;
  • de vrouw met haar advocaat.
Na de zitting heeft de rechtbank het volgende stuk ontvangen:
- het F9-formulier van 25 maart 2026 van de zijde van de man.

Feiten

  • Partijen zijn met elkaar gehuwd op [dag] 2022 te [plaats] .
  • De vrouw heeft uit een eerder huwelijk twee inmiddels meerderjarige kinderen: [naam 1] (geboren op [geboortedatum 1] 2002) en [naam 2] (geboren [geboortedatum 2] 1996). [naam 1] woonde bij partijen in de echtelijke woning en verblijft op dit moment met de vrouw in de woning.
  • Partijen zijn gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen.
  • Deze rechtbank heeft op 23 mei 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] met het bevel dat de man die woning moet verlaten en niet verder mag betreden.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
  • vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, in die zin dat de vrouw binnen drie weken/maanden aan de man zal betalen de helft van de saldi op het peilmoment in de gezamenlijke pot en de vakantiepot welke zijn aangehouden op haar rekening bij de ING bank;
  • bepaling dat de man een vergoedingsrecht heeft ter waarde van € 7.500,- en
€ 3.707,88 op de vrouw en dat zij deze bedragen binnen drie maanden, althans binnen een termijn die de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht dient te voldoen aan de man;
- toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning, met de bepaling dat de vrouw de woonruimte zal verlaten en daarin niet mag wederkeren met afgifte van alle sleutels van de woning;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
  • toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning;
  • vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, als volgt:
- bepaling dat de saldi van de betaalrekening(en) van de man op de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding bij helfte dienen te worden verdeeld met de verplichting op de man om het aandeel van de vrouw daarin aan haar te betalen en voor wat betreft de spaarrekening(en) van de man dat de helft van hetgeen is gespaard vanaf de datum waarop partijen zijn gehuwd tot aan die peildatum bij helfte moet worden verdeeld en het aandeel van de vrouw daarin aan haar door de man dient te worden betaald;
- voor wat betreft het saldo van de betaalrekening van de vrouw op de peildatum bepaling dat bij helfte moet worden verdeeld en het aandeel daarin van de man aan hem moet worden betaald (verrekend);
- bepaling dat partijen bij helfte draagplichtig zijn voor de schuld aan de gemeente Zoetermeer ten bedrage van € 413,88 en daarbij bepaling dat, voor zover het aandeel daarin van de man door de vrouw is betaald, zij een vordering heeft op de man (regres) voor een bedrag van € 206,70 welk bedrag bij betaling door de vrouw van de volledige schuld door de man aan haar zal moeten worden betaald;
- een en ander met onderlinge verrekening(en);
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond wordt toegewezen.
Huurrecht
De man verzoekt het huurrecht van de echtelijke woning. Bij voorlopige voorziening heeft de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning gekregen, omdat zij niet elders zou kunnen verblijven, maar dat is volgens de man niet waar. Daarnaast is het volgens hem ook niet waar dat de man niet met [naam 1] in de woning zou kunnen verblijven. De man heeft sinds de voorlopige voorziening in hotels en/of bij vrienden verbleven, maar dit is niet langer een optie. Het netwerk van de man bevindt zich niet in deze regio, terwijl de man vanwege zijn werk wel gebonden is aan [plaats] . De man meent daarom dat zijn belang bij het huurrecht van de echtelijke woning het grootst is.
De vrouw verzoekt ook het huurrecht. Volgens haar heeft de man inmiddels vervangende woonruimte gevonden, terwijl het haar niet lukt om een alternatieve woning te vinden die groot genoeg is voor haar en [naam 1] . De vrouw stelt dat [naam 1] voorlopig nog bij haar zal blijven wonen, omdat het hem niet lukt om alternatieve woonruimte te vinden. De vrouw heeft tot slot naar voren gebracht dat zij, anders dan door de man aangevoerd is, wel in staat is de huurprijs te voldoen.
De rechtbank stelt voorop dat de man en de vrouw beiden een heel groot belang hebben bij het behoud van de huurwoning. De rechtbank waardeert die belangen als gelijk. Voor beiden is het niet gemakkelijk om op korte termijn in aanmerking te komen voor een andere woning. De rechtbank zal in deze procedure, net als in de voorlopige voorzieningenprocedure, meewegen dat ook [naam 1] in de echtelijke woning woont. Toedeling van het huurrecht aan de man zou betekenen dat zowel de vrouw als [naam 1] op straat komen te staan. Omdat partijen verder een gelijk belang hebben, is de aanwezigheid van [naam 1] doorslaggevend. De rechtbank zal dus bepalen dat de vrouw het huurrecht van de echtelijke woning toegedeeld krijgt.
Verdeling
Beperkte gemeenschap van goederen
Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Partijen zijn gehuwd op [dag] 2022 waardoor tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestaat.
De wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
Peildatum
Voor het vaststellen van de omvang van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, namelijk 23 april 2025. Als peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen geldt in beginsel de datum van verdeling, tenzij de man en de vrouw anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan moet worden afgeweken.
Omvang
Door de man en de vrouw is gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen in de wettelijke beperkte gemeenschap vallen
inboedel;
bank- en spaarrekeningen;
schuld bij de gemeente.
Ad a. inboedel
De man heeft een voorstel gedaan voor de verdeling van de inboedel, op basis van bedragen die de goederen volgens hem waard zijn. De vrouw is het op zichzelf eens met de verdeling, maar wil graag nog de kledingkast hebben. De man heeft erop gewezen dat daarmee het evenwicht uit de verdeling gaat. Hij is het dus niet eens met de toedeling van de kast aan de vrouw.
De rechtbank kan niet vaststellen wat de exacte waarde is van de goederen, en gaat daarom af op wat partijen daarover naar voren hebben gebracht. De rechtbank overweegt dat de man het meest concreet toegelicht heeft hoe de verhouding van de waarde van de goederen is. De vrouw heeft daar geen concrete aanwijzingen over gegeven. De rechtbank gaat daarom af op de lijst van de man en zal de verdeling vaststellen conform zijn voorstel, met dien verstande dat, zoals ter zitting is besproken, ook de persoonlijke spullen van de man nog aan de man toekomen.
Ad b. bank- en spaarrekeningen
Partijen hadden gedurende hun huwelijk gezamenlijke ‘potjes’ met geld, die verbonden zaten aan een bankrekening die beheerd werd door de vrouw. De man vindt dat het saldo van deze gezamenlijke potjes per peildatum bij helfte verdeeld moet worden en verzoekt inzage in de af- en bijschrijvingen van de potjes om te zien welk bedrag nog aan hem toekomt.
De vrouw heeft op de zitting uitgelegd hoe het gedurende het huwelijk ging met de bankrekeningen. Ieder had een eigen rekening die werd omgezet in een en/of-rekening. Desalniettemin hield ieder het beheer van één van de rekeningen. Op de bankrekening die bij de vrouw in beheer was stortte de man geld, dat door de vrouw in potjes met bepaalde bestedingsdoelen werd verdeeld. Aan de door de vrouw beheerde rekening waren dus potjes verbonden, gevuld met geld afkomstig van de door ieder van partijen beheerde bankrekeningen. De man had de andere bankrekening in zijn beheer. Het is volgens de vrouw nooit de bedoeling geweest om er twee gezamenlijke bankrekeningen van te maken. Het was de bedoeling alleen de potjes gezamenlijk te doen zijn en alle gezamenlijke kosten werden voldaan met het geld van die gezamenlijke potjes.
De rechtbank overweegt dat partijen in een beperkte gemeenschap van goederen gehuwd zijn, wat betekent dat dat wat gedurende het huwelijk is verkregen van partijen samen is. Dit betekent dat het saldo op alle bankrekeningen aan partijen gezamenlijk toebehoort, behoudens voor zover dat saldo gelden bevat die bij aanvang van het huwelijk reeds aanwezig waren. Dat partijen in de praktijk anders met de bankrekeningen omgingen doet daaraan niet af en die omstandigheid brengt evenmin met zich mee dat de saldi van de bankrekeningen anders dan bij helfte moeten worden verdeeld.
De rechtbank zal daarom bepalen dat het saldo van de bank- en spaarrekeningen op de peildatum, verminderd met het saldo van de bank- en spaarrekeningen bij aanvang van het huwelijk tussen partijen bij helfte (behoudens voor het hierna onder het kopje “vergoedingsrecht” bedoelde bedrag) moet worden verdeeld. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Ad c. schuld bij de gemeente
De vrouw verzoekt te bepalen dat de schuld bij de gemeente Zoetermeer voor rekening van partijen samen komt. Voor zover de vrouw de schuld al betaald heeft, heeft ze een regresrecht op de man.
De man verweert zich tegen het verzoek. Hij heeft in mei 2025 de woning verlaten, terwijl de schuld ziet op het jaar 2025. Hij vindt daarom dat de vrouw, die het grootste gedeelte van het jaar in de echtelijke woning heeft gewoond, verantwoordelijk is voor de schuld.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Schulden komen niet voor verdeling in aanmerking omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 van Pro het BW. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW Pro.
In de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:100 BW Pro het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de (ex)echtgenoten wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW Pro een regresrecht op de andere (ex)echtgenoot.
De rechtbank overweegt dat partijen samen draagplichtig zijn voor schulden tot aan de peildatum van de verdeling, te weten 23 april 2025. Dit betekent dat de man draagplichtig is voor de helft van dat deel van de factuur dat ziet op de periode tot en met 23 april 2025. De man woonde toen nog in de woning. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om op basis van de redelijkheid en billijkheid een afwijkende draagplicht vast te stellen.
Vergoedingsrecht
Gedurende het huwelijk van partijen is de moeder van de man overleden, waarna de man
€ 18.812,88 heeft ontvangen uit hoofde van de nalatenschap. Een bedrag van € 7.500,- is door de man overgemaakt naar de bankrekening die de vrouw in beheer had. Een bedrag van € 3.702,88 is overgemaakt naar een van de gezamenlijke potjes van partijen. De man stelt dat beide bedragen op grond van artikel 1:94 lid 2 sub a BW Pro buiten de beperkte gemeenschap van goederen vallen. De man heeft dus een vergoedingsrecht ter grootte van de twee bedragen, aldus de man.
De vrouw vindt niet dat er sprake kan zijn van enig vergoedingsrecht. De man heeft het bedrag van € 7.500,- naar haar overgemaakt met de omschrijving ‘Jouw deel’. Dit betekent volgens de vrouw dat de man bewust ervoor gekozen heeft om dit bedrag aan haar te schenken, hetgeen niet geheel onbegrijpelijk is omdat de vrouw een erg goede band met de moeder van de man had en voor haar zorgde. De € 7.500,- is overgemaakt naar een privérekening van de vrouw en valt niet in de beperkte gemeenschap en er is ook geen vergoedingsrecht ter grootte van dit bedrag. Voor wat betreft het bedrag van € 3.702,88 brengt de vrouw naar voren dat dit geld bestemd was voor gezamenlijke uitgaven, die ook daadwerkelijk gedaan zijn. De vrouw vindt daarom niet dat nu gesteld kan worden dat dit bedrag terugbetaald moet worden.
De rechtbank stelt allereerst vast dat partijen het erover eens zijn dat de man het bedrag van
€ 18.812,88 uit hoofde van een nalatenschap heeft ontvangen. Partijen zijn het er ook over eens dat van die nalatenschap een bedrag van € 3.702,88 is gestort in de gezamenlijke potjes. Vanuit die potjes zijn huishoudelijke kosten voldaan. Partijen zijn het er verder over eens dat de man een bedrag van € 7.500,- heeft overgemaakt naar de bankrekening die in beheer was bij de vrouw, met de omschrijving ‘jouw deel’.
Vergoedingsrecht van € 3.702,88
De man stelt dat hij een vergoedingsrecht heeft van € 3.702,88 op de gemeenschap, omdat daarmee gemeenschapsschulden zijn voldaan vanuit zijn privévermogen. De vrouw betwist dat op zichzelf niet, maar zegt dat de man hiermee zijn aandeel heeft geleverd aan de kosten van de huishouding en dus voldaan heeft aan de verplichting ex artikel 1:84 BW Pro. De Hoge Raad heeft op 5 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:504) overwogen dat vermoed moet worden dat de tijdens het huwelijk voldane schulden gemeenschapsschulden zijn en dat ook uitgaven in verband met consumptieve bestedingen en uitgaven in verband met de kosten van de huishouding zijn aan te merken als voldoening van gemeenschapsschulden. Het wettelijk stelsel van titel 7 van boek 1 BW brengt met zich mee dat de man als gevolg van de vermogensverschuiving in beginsel recht heeft op vergoeding van dat bedrag tegenover de gemeenschap. Dit is anders als hieruit privéschulden van de man zouden zijn voldaan of als partijen uitdrukkelijk of stilzwijgend hebben afgezien van een vergoeding. Ook is er geen vergoeding verschuldigd als met de vermogensverschuiving is voldaan aan een op de man rustende verplichting. Van dat laatste is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval sprake. Gelet op het systeem van de gezamenlijke potjes waarmee partijen werkten en de wijze waarop partijen de potjes naar rato van hun inkomen vulden, is de rechtbank van oordeel dat de man met de betaling van het bedrag van € 3.702,88 heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting ex artikel 1:84 BW Pro. Het bedrag van € 3.702,88 komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
Vergoedingsrecht van € 7.500,-
De rechtbank begrijpt uit de stelling van partijen dat het bedrag van € 7.500,- op de peildatum nog op de door de vrouw beheerde bankrekening aanwezig was. Dat bedrag is afkomstig uit de nalatenschap van de man en behoort derhalve tot zijn privé vermogen.
De rechtbank begrijpt uit de stellingen van de vrouw dat zij zich erop beroept dat de man dit bedrag vervolgens aan de vrouw heeft geschonken. De man betwist dat hij de bedoeling had dit bedrag aan de vrouw te schenken. Hij heeft toegelicht dat hij bij het overmaken van het bedrag in de veronderstelling was dat het bedrag aan de vrouw toekwam omdat er sprake zou zijn van een algehele gemeenschap van goederen. Hij is er pas later achter gekomen dat er sprake is van een beperkte gemeenschap van goederen, waar erfenissen niet onder vallen. De vrouw heeft tegenover de betwisting door de man geen feiten gesteld waaruit de gestelde schenkingsbedoeling af te leiden is. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep van de vrouw op de gestelde schenking onvoldoende onderbouwd is en dus moet worden verworpen.
Het voorgaande betekent dat de door de vrouw beheerde bankrekening € 7.500,- aan privévermogen van de man bevat. Omdat het volledige saldo van die bankrekening tot de gemeenschap behoort, beschouwt de rechtbank dat bedrag als in de beperkte gemeenschap gevloeid, waarmee aan de man jegens de gemeenschap een vergoedingsrecht van € 7.500,-toekomt. De rechtbank zal dit in het dictum opnemen. Het meer of anders wordt afgewezen.
Proceskosten
Omdat het een procedure van familierechtelijke aard is, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [dag] 2022 te [plaats] ;
*
bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woonruimte te [adres] ;
*
stelt de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
de inboedel wordt verdeeld conform de door de man opgestelde lijst, waarbij ook de persoonlijke spullen van de man nog aan hem worden toegedeeld;
aan de vrouw wordt toegedeeld de helft van het saldo van alle bank- en spaarrekeningen verminderd met het saldo van alle bank- en spaarrekeningen bij aanvang van het huwelijk;
aan de man wordt toegedeeld de helft van het saldo van alle bank- en spaarrekeningen verminderd met het saldo van alle bank- en spaarrekeningen bij aanvang van het huwelijk;
*
stelt vast dat de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap ter hoogte van
€ 7.500,-;
*
stelt vast dat de man is draagplichtig voor de helft van de schuld bij de gemeente die ziet op de periode van 1 januari 2025 tot en met 23 april 2025 en dat de vrouw, voor zover die schuld na de peildatum door haar is voldaan, zij tot dat bedrag een regresrecht heeft op de man;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 17 april 2026.