Uitspraak
Scheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 23 januari 2025 ingekomen verzoek van:
[de man]
[de vrouw]
Procedure
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- het F9 formulier van 4 februari 2025 van de zijde van de man;
- het bericht van 16 mei 2025 van de zijde van de man;
- het F9 formulier van 19 mei 2025 van de zijde van de vrouw;
- het aanvullend verzoek, met bijlagen;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen;
- het F9 formulier van 8 oktober 2025, met bijlage, van de zijde van de vrouw;
- het verweer op het zelfstandig verzoek;
- het F9 formulier van 25 februari 2026, met aanvullend verzoek en bijlagen, van de zijde van de man;
- het F9 formulier van 27 februari 2026, met aanvullend verzoek en bijlagen, van de zijde van de man;
- het F9 formulier van 2 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
- het F9 formulier 2 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de man;
- het F9 formulier van 5 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
- productie 24 van de zijde van de vrouw, ingekomen bij de rechtbank op 9 maart 2026;
- productie 25 en 26 van de zijde van de vrouw, ingekomen bij de rechtbank op 10 maart 2026;
- het F9 formulier van 10 maart 2026, met bijlage, van de zijde van de vrouw.
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
Feiten
- Partijen zijn op [datum 1] 2016 een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan te [plaats 1] . Het geregistreerd partnerschap is op [datum 2] 2017 omgezet in een huwelijk te [plaats 2] .
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- De kinderen verblijven op dit moment bij de vrouw.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De vrouw is ook de ouder van de nu nog [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2011 te [geboorteplaats] .
- Partijen hebben op [datum 1] 2016 partnerschapsvoorwaarden opgesteld. Bij de omzetting van het geregistreerd partnerschap in een huwelijk op [datum 2] 2017 zijn de partnerschapsvoorwaarden automatisch huwelijksvoorwaarden geworden. Deze huwelijkse voorwaarden houden kort gezegd in een:
Verzoek en verweer
- de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw vast te stellen;
- een zorgregeling vast te leggen waarbij de kinderen bij de vader en de moeder verblijven volgens naar de rechtbank begrijpt de inhoud van de producties 37 en 38;
- de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden vast te stellen conform hetgeen in het aanvullende verzoekschrift is omschreven;
- de verdeling van de gemeenschappelijke woning vast te stellen conform hetgeen in het aanvullend verzoekschrift is omschreven en een spoorboekje op te nemen,
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
- vaststelling van een door partijen nader aan te geven verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen;
- bepaling dat de vrouw de woning voor een bedrag van € 1.425.000,- mag overnemen onder ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid uiterlijk tot zes maanden na de datum van de echtscheiding;
- bepaling dat de man aan achterstallige bijdrage in de kosten van de huishouding een bedrag van € 9.400,- dient te voldoen aan de vrouw te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag van voldoening;
- bepaling dat de man een bijdrage in de kosten en verzorging van de kinderen voldoet van een bedrag van € 2.100,- per maand dan wel een bijdrage die de rechtbank in goede justitie juist acht vanaf de datum indiening verzoekschrift dan wel een andere datum die de rechtbank in goede justitie juist acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw;
- bepaling dat de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw voldoet van een bedrag van € 700,- per maand dan wel een bijdrage die de rechtbank in goede justitie juist acht vanaf de datum echtscheiding telkens bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw;
- bepaling dat de man in het geding brengt dan wel aan de vrouw dient te verschaffen ter bepaling van zijn vermogens – en inkomenspositie en de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden c.q. huwelijkse voorwaarden de navolgende stukken:
- dat de rechtbank zal bepalen dat de vrouw draagplichtig is voor de helft van de aanslagen IB 2023 en 2024 en 2025 tot de datum waarop partijen geen fiscaal partners meer zijn en dat de man gerechtigd is om het (eventueel) door hem betaalde deel van de vrouw in die aanslagen te verrekenen met een door de man aan de vrouw te betalen bedrag;
- voorts dat de rechtbank bepaalt dat de man 60% van de verblijfoverstijgende kosten van de kinderen als zijn eigen schuld zal voldoen en de vrouw 40% daarvan,
Beoordeling
€ 9.000,- per jaar.
- de arbeidskorting;
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
€ 1.961,- per maand en is voldoende om volledig in de behoefte van de kinderen van
€ 9.720,- in 2023 (volgens de door de man overgelegde belastingaangifte IB 2023) en
€ 9.952,- in 2024 (volgens de conceptaangifte IB 2024), zodat in 2024 sprake was van een NBI van de vrouw van € 829,- per maand. Daarnaast was sprake van huurinkomsten aan de zijde van de man, maar de omvang daarvan is niet vast komen te staan.
- de arbeidskorting;
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
€ 471,-. Nu de vrouw geen kindgebonden budget ontvangt dient zij dit bedrag volledig vanuit haar eigen inkomen aan de kinderen te besteden. Dit bedrag komt in mindering op haar NBI, zodat het eigen inkomen dat zij aan zichzelf kan besteden ( € 2.912,- - € 471,- = ) € 2.441,- bedraagt. Dit inkomen wordt in mindering gebracht op de behoefte van € 2.858,- zodat de vrouw een aanvullende behoefte heeft van € 417,- netto per maand in 2026. Dat is € 538,- bruto per maand.
2. Uitsluiting partnerschapsvermogensrechtelijke gemeenschap
Tussen de partners bestaat geen enkele partnerschapsvermogensrechtelijke gemeenschap.
6. Finale verrekening bij einde van geregistreerd partnerschap anders dan door overlijden
1. Bij einde van het geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden of door ontbinding, of bij omzetting van het geregistreerd partnerschap in een huwelijk en de daarop volgende echtscheiding of scheiding van tafel en bed, wordt verrekend alsof tussen de partners een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan, met inachtneming van het volgende. In het geval dat wordt afgerekend op basis van dit artikel sluiten partners de verrekening zoals bedoeld in artikel 4 van Pro deze partnerschapsvoorwaarden, voor zover die nog niet heeft plaatsgevonden, en de verrekening op basis van artikel 1:141 Burgerlijk Pro Wetboek, uitdrukkelijk uit. Evenmin zal er verrekening plaatsvinden in verband met de draagplicht van de huishoudkosten als bepaald in artikel 3, voor zover die verrekening niet reeds heeft plaatsgevonden.
- te verrekenen vermogen;
- eenvoudige gemeenschappen.
Ad. 1. De aandelen van [bedrijfsnaam 2] BV en de belasting latentie
“zoals goodwill”in artikel 6 lid 4 niet Pro ziet op alle goodwill, maar alleen op immateriële activa zoals goodwill. Volgens de vrouw houdt dat in dat niet alle goodwill hiervan is uitgesloten. Zelfgekweekte goodwill staat volgens de vrouw niet op de balans als immaterieel vast actief, omdat deze niet identificeerbaar en niet afzonderlijk overdraagbaar is. Deze goodwill wordt pas zichtbaar bij verkoop of participatie in de onderneming. Alleen, voor zover goodwill op de balans terecht is gekomen dient die goodwill buiten beschouwing gelaten moet worden. De aangekochte goodwill moet daarom uitgefilterd worden. De vrouw heeft als productie 24 een memorandum inz. Waardering [bedrijfsnaam 2] B.V. maart 2026 van de heer [naam 2] overgelegd waarin de heer [naam 2] kort samengevat (na correctie van de goodwill) tot een waardestijging van de aandelen van ca 2,2 miljoen komt.
Bij de vaststelling van de waarde van de hierna genoemde (certificaten van) aandelen wordt in alle gevallen – ook als de onderneming die wordt gedreven in de vennootschap waarin de (certificaten van) aandelen worden gehouden is vervreemd – geen rekening gehouden met immateriële activa, zoals goodwill, en hetgeen daarvoor in de plaats is gekomen”.De rechtbank is van oordeel dat uit deze tekst, in het bijzonder de zin tussen de streepjes, voortvloeit dat het standpunt van de man juist is dat partijen zijn overeengekomen bij de waardebepaling geen rekening te houden met enige vorm van goodwill. Voor de uitleg van de vrouw ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Daarom zal de rechtbank de waardestijging berekenen door de intrinsieke waarde van de aandelen eind 2024 te vergelijken met de waarde van de aandelen in 2016. Voor de benoeming van een deskundige ziet de rechtbank geen aanleiding.
€ 845.000,- dient te voldoen. Subsidiair handhaaft zij haar verzoek om een deskundige te benoemen.
Op de waarde van de (certificaten van) aandelen wordt in mindering gebracht de contante waarde van de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn als de aandelen zouden worden vervreemd voor de conform de hiervoor bepaalde waarde.”Uit die tekst volgt dat dus dat de belastingclaim contant gemaakt dient te worden. De vraag die partijen verdeeld houdt is, zo begrijpt de rechtbank, of de omstandigheid dat de aandelen in de BV op dit moment niet daadwerkelijk worden vervreemd, betekent dat rekening gehouden moet worden met een lager tarief dan het tarief dat verschuldigd zou zijn als de aandelen op de peildatum verkocht zouden zijn. Die discussie wordt in rechtspraak en literatuur gevoerd vanwege de gedachte dat belastinguitstel een rentevoordeel kan opleveren. Dat met een eventueel rentevoordeel bij de waardering van de AB-claim rekening gehouden moet worden is bevestigd in de uitspraak van de Hoge Raad van 22 april 2022 (ECLI:NL:HR:2022:583). Partijen hebben ieder een ander percentage genoemd waarmee gerekend moet worden, maar hebben hun standpunt over de contante waarde van de belastingclaim niet toegelicht. De rechtbank zal daarom voor de berekening van de contante waarde aansluiten bij het daarvoor gebruikelijke tarief van 25%.
Ad 2. de bankrekeningen
- Rabobank Rabo TotaalRekening: [rekeningnummer 5] te name van
- Rabo spaarrekening aan bovenstaande rekening: [rekeningnummer 6] te name van [de man] eo;
- Rabobank Rabo GoldCard Visa - [nummer];
- Rabobank Rabo BedrijfsSpaarRekening: [rekeningnummer 1] [bedrijfsnaam 4];
- Van Lanschot Betaalrekening particulier: [rekeningnummer 7] op naam van de vrouw;
- Rabobank Zakelijke rekening: [rekeningnummer 8] [bedrijfsnaam 4];
- Rabobank Rabo TotaalRekening: [rekeningnummer 9] op naam van de vrouw;
- Rabobank Rabo SpaarRekening: [rekeningnummer 10] op naam van de vrouw;
- Rabobank Rabo DirectRekening: [rekeningnummer 4] (lunch rekening).
Ad. 3 de auto van het merk Volvo met [kenteken];
Ad 4. de panden van de man
€ 1.425.000,- en dat de man de vrouw de kans wil geven de woning over te nemen. Partijen verschillen echter van mening over de termijn waarbinnen de vrouw de woning moet overnemen. Enerzijds zijn partijen sinds november 2024 feitelijk uit elkaar en is de man al geruime tijd aan het wachten op de vrouw om naar haar eigen wens te handelen. De vrouw had eerder stappen kunnen ondernemen om meer duidelijkheid te verschaffen over haar mogelijkheden tot het overnemen van de woning. Anderzijds is het ook denkbaar dat de vrouw de echtscheidingsbeschikking nodig heeft om financiële duidelijkheid te krijgen alvorens zij het een en ander kan regelen, mogelijk met financiële bijstand van haar familie om tot overname van de woning te komen.
€ 86.000,- (naar rato van waardestijging). De vrouw zou deze investering hebben gedaan met geld dat zij uit een erfenis heeft ontvangen. De rechtbank constateert dat het verzoek pas op de zitting is gedaan en dus te laat en daarmee in strijd met de goede procesorde is ingediend. Daarom laat de rechtbank dit verzoek buiten beschouwing. Dit daargelaten dat het verzoek ook niet voor toewijzing vatbaar zou zijn nu de vrouw niet heeft aangetoond dat zij met gelden uit een erfenis heeft geïnvesteerd in de woning.
Beslissing
- de man dient ter verrekening van de waarde van de aandelen een bedrag van
- de man en de vrouw dienen de saldi op de volgende bankrekeningen op de peildatum, te weten 23 januari 2025, bij helfte met elkaar te verrekenen:
[de man] eo;