ECLI:NL:RBDHA:2026:12199
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, een Pakistaanse asielzoeker, diende op 16 september 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De minister baseerde dit op Eurodac-gegevens waaruit bleek dat eiser op 25 april 2024 al een asielverzoek in Duitsland had ingediend.
Eiser stelde dat de minister ten onrechte geen gebruik had gemaakt van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, waarmee Nederland de behandeling van de asielaanvraag naar zich toe kan trekken. Hij verwees naar zijn deelname aan een grote geloofsgemeenschap in Nederland en het feit dat zijn asielverzoek in Duitsland was afgewezen. De rechtbank oordeelde echter dat deze omstandigheden onvoldoende waren om de overdracht aan Duitsland als onevenredig hard te beschouwen.
De rechtbank benadrukte dat de minister een ruime discretionaire bevoegdheid heeft om te besluiten of een asielaanvraag onverplicht aan Nederland wordt toegekend. De stellingen van eiser waren onvoldoende concreet en onderbouwd om af te wijken van de standaardtoepassing van de Dublinverordening. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt afgewezen en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt eveneens afgewezen.