ECLI:NL:RBDHA:2026:122
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank besloot het onderzoek ter zitting achterwege te laten en oordeelde dat het verzoek om in persoon gehoord te worden onvoldoende was onderbouwd.
Eiser stelde dat het verblijf in detentiecentrum Rotterdam een schending van zijn mensenrechten opleverde vanwege slechte luchtkwaliteit door nabijgelegen luchthavenuitstoot, en dat er geen zicht was op uitzetting naar Algerije. De rechtbank concludeerde dat de overgelegde artikelen niet van toepassing waren op detentiecentrum Rotterdam en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de luchtkwaliteit een mensenrechtenschending vormde.
Verder bleek uit de voortgangsrapportage dat de autoriteiten een laissez-passer hadden aangevraagd en regelmatig contact hadden met Algerije, terwijl eiser onvoldoende meewerkte aan het onderzoek naar zijn identiteit. De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestond.
Gelet op deze feiten en de ambtshalve toetsing vond de rechtbank geen grond om de maatregel van bewaring onrechtmatig te verklaren. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.