ECLI:NL:RBDHA:2026:1222

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL25.12357
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 30b lid 1 onder h en j Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardig asielrelaas en onvoldoende onderbouwing

Eiser, een Pakistaanse nationaliteit, diende een asielaanvraag in na intrekking van zijn verblijfsvergunning en oplegging van een terugkeerbesluit met inreisverbod vanwege een strafrechtelijke veroordeling. Hij vreesde vervolging en mishandeling door een machtige familie in Pakistan vanwege een conflict.

De rechtbank beoordeelde het asielrelaas en concludeerde dat verweerder de problemen van eiser met de familie terecht ongeloofwaardig heeft bevonden. De overgelegde documenten, waaronder een krantenartikel en een aangifte, droegen niet bij aan de geloofwaardigheid. Verweerder had bovendien meerdere tekortkomingen in het relaas en de onderbouwing vastgesteld.

De rechtbank volgde verweerder in zijn oordeel dat het relaas onvoldoende samenhangend en aannemelijk was, mede vanwege summiere en tegenstrijdige verklaringen en het ontbreken van relevante documenten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 21 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.12357 (beroep) en NL25.12358 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser/verzoeker] , eiser/verzoeker,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Verweerder heeft de problemen van eiser met de familie [naam 1] ongeloofwaardig kunnen vinden. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat het krantenartikel en de aangifte die eiser heeft overgelegd niet bijdragen aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser had sinds 26 september 2017 in Nederland een reguliere verblijfsvergunning voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’. Eiser verbleef bij zijn echtgenote en dochter. Deze verblijfsvergunning is bij besluit van 7 september 2022 met terugwerkende kracht ingetrokken. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod van 10 jaar opgelegd, op grond van de strafrechtelijke veroordeling van eiser. Het beroep hiertegen is op 8 januari 2026 behandeld door deze rechtbank en zittingsplaats [1] .
3. Eiser heeft op 6 september 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 11 maart 2025 in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026, met behulp van een beeldverbinding voor de gemachtigde van eiser, op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1983. Eiser heeft in Nederland een jongen uit de rijke, politiek en militair machtige familie [naam 1] uit Pakistan ontvoerd, gegijzeld en mishandeld samen met twee anderen. De familie van het slachtoffer wil daarom wraak nemen op eiser. Verschillende familieleden van eiser in Pakistan zijn gemarteld en zwaar mishandeld vanwege de misdaden van eiser. In maart 2021 is [naam 2] , een neef van eiser, voor drie dagen gemarteld. Eind april 2021 hebben ze andere familieleden van eiser opgezocht en bedreigd. Eind 2021 hebben ze een trouwzaal van de oom van eiser verband. Bijna alle familieleden hebben hierdoor de band met eiser verbroken. In november 2022 is [naam 3] , een vriend van eiser, ontvoerd en gemarteld. Ook is zijn huis beschoten. [naam 3] heeft hiervan aangifte gedaan, maar de politie doet niks met de aangifte. Eiser vreest dat rechters, politie- en overheidswerknemers het zullen goedkeuren omdat de familie [naam 1] zo machtig is. Daarnaast is er een krantenartikel geschreven over eiser en de bedreigingen tegen hem. Eiser vreest dat als hij terugkeert naar Pakistan, hij daar gemarteld en gedood zal worden.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen met machtige familie [naam 1] ;
problemen vanwege etniciteit.
Verweerder vindt het eerste asielmotief geloofwaardig, het tweede en derde asielmotief niet. De verklaringen van eiser vormen volgens verweerder immers geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser verklaart vaag en summier over de incidenten die hebben plaatsgevonden, zoals de ontvoering van [naam 2] . Verweerder vindt de verklaringen over de bedreigingen van de familie van eiser summier en onaannemelijk. Daarnaast stelt verweerder dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard tegenover de AVIM [2] en de IND [3] . Verweerder vindt de problemen van eiser wegens zijn etnische afkomst ongeloofwaardig omdat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en hiervoor geen goede verklaringen heeft gegeven. Verweerder werpt eiser ook tegen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen verschoonbare verklaring heeft. Verweerder wijst de asielaanvraag van eiser daarom af als kennelijk ongegrond, op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h en j, van de Vw. Verweerder heeft reeds aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod van tien jaar opgelegd.
Heeft verweerder de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser deugdelijk gemotiveerd?
6. Eiser voert aan dat verweerder het bestreden besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Verweerder geeft in het besluit bij meerdere elementen toe dat hij deze in het voornemen ten onrechte in het nadeel van eiser heeft meegewogen, en toch heeft dit de conclusie van het besluit niet veranderd. Verweerder geeft immers zelf aan dat hij wel verder had kunnen doorvragen over de ontvoering van [naam 2] en wat de overheidsidentiteitskaarten met de familie [naam 1] te maken zouden hebben. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat de landeninformatie niet van toepassing is op de individuele situatie van eiser, maar volgens eiser beperkt landeninformatie zich niet tot zaken die veelvoudig voorkomen. Mensenrechtenschendingen die minder vaak voorkomen, worden ook in landeninformatie gedocumenteerd. Verweerder geeft verder in het bestreden besluit ook toe dat hij er niet vanuit mocht gaan dat er documentatie bestaat van de verklaring van eiser dat het wijkhoofd, door geld te betalen, de familie [naam 1] heeft kunnen weghouden van [naam 2] . Daarnaast volgt verweerder in het bestreden besluit dat de betrokkenheid van meerdere familieleden van eiser bij de bedreigingen van de familie [naam 1] niet leidt tot het per definitie beschikbaar zijn van documenten. Ten onrechte draagt dit alles voor verweerder niet bij aan de geloofwaardigheid van het relaas.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het besluit deugdelijk heeft gemotiveerd. Verweerder heeft de verklaringen van eiser over de personen met de overheidsidentiteitskaarten onaannemelijk kunnen vinden, ondanks dat hij hierover had kunnen doorvragen. Daarnaast kan de rechtbank verweerder volgen in zijn tegenwerping dat eiser niet onderbouwt in welke specifieke landeninformatie er dan wel informatie zou staan over ontvoeringen. Het is immers eiser die in de eerste plaats zijn relaas aannemelijk moet maken. De rechtbank kan verweerder ook volgen in zijn tegenwerping dat het onaannemelijk is dat de familie [naam 1] zich zo gemakkelijk door een wijkhoofd zou laten overtuigen en de zaak af zou laten doen met een betaling van een geldbedrag. Dat eiser gevolgd wordt dat hierover geen landeninformatie bestaat, maakt nog niet dat verweerder dit wel aannemelijk zou moeten vinden. Verder kan de rechtbank volgen dat ook als de betrokkenheid van meerdere familieleden niet per definitie betekent dat er documenten beschikbaar zijn, de onderbouwing met documenten in dit geval wel had mogen worden verwacht, gelet op de hoeveelheid en aard van de door eiser gestelde incidenten. Verder acht verweerder eisers bedreigingen gericht op zijn familieleden niet enkel ongeloofwaardig vanwege een gebrek aan bewijs, maar vanwege de summiere verklaringen van eiser hierover.
7.1.
Wat betreft de aangifte, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat de naam van [naam 3] niet in de vertaalde versie van de aangifte staat. Het is aan eiser om een volledige vertaling van de aangifte te overleggen, zodat verweerder deze ook in zijn volledigheid kan onderzoeken. Dat eiser ter zitting heeft verklaard dat de registratienummers van beide versies overeenkomen, doet hier niet aan af. Daarnaast heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat de aangifte een optekening is van de verklaringen van [naam 3] zelf en niet is gebaseerd op een eigen onderzoek van de politie.
7.2.
Verder volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat het overgelegde krantenartikel niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid. In het krantenartikel staat een verklaring van de moeder van eiser, dat haar zoon om onbekende redenen bedreigd wordt met de dood door leden van de Altaaf groep en dat zij die verklaring telefonisch aan een journalist heeft gedaan. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat de enige bron van het krantenartikel de moeder van eiser is en, anders dan eiser ter zitting heeft gesteld, niet blijkt van enig onderzoek door de krant. Het artikel is ook slechts zes regels. Ook dateert het krantenartikel van na het afwijzende, bestreden besluit, wat afdoet aan de geloofwaardigheid van het krantenartikel. Bovendien heeft Bureau Documenten geconcludeerd dat de inhoudelijke juistheid van het krantenartikel niet kan worden vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

8. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
9. Aangezien op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Verzoeker krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL24.31021.
2.Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
3.Immigratie- en Naturalisatiedienst.