In deze civiele zaak vordert eiseres betaling van openstaande bedragen en een verklaring omtrent de ontbinding van een overeenkomst met de provincie Zuid-Holland. De rechtbank verwijst naar eerdere tussenvonnissen en neemt het deskundigenbericht van november 2025 over, waar partijen zich bij neerleggen.
De rechtbank oordeelt dat de provincie een restantbedrag van €3.505,66 en een bedrag van €8.817,44 aan eiseres verschuldigd is, terwijl een vordering voor extra kosten wegens MMW 202 wordt afgewezen. Tevens verklaart de rechtbank dat de overeenkomst niet rechtsgeldig is ontbonden en dat de provincie gehouden is tot vergoeding van kosten wegens beëindiging in onvoltooide staat.
De rechtbank veroordeelt de provincie tot betaling van de toegewezen bedragen, vermeerderd met omzetbelasting, wettelijke handelsrente en een verhoging van 2% conform paragraaf 45 lid 2 UAV. Proceskosten worden gecompenseerd, waarbij eiseres wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van de gerechtsdeskundige. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.