Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12226

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
C/09/608766 / HA ZA 21-251
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
paragraaf 8 lid 4 UAVparagraaf 14 UAVparagraaf 45 lid 2 UAV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling en ontbindingsovereenkomst tussen eiseres en provincie Zuid-Holland

In deze civiele zaak vordert eiseres betaling van openstaande bedragen en een verklaring omtrent de ontbinding van een overeenkomst met de provincie Zuid-Holland. De rechtbank verwijst naar eerdere tussenvonnissen en neemt het deskundigenbericht van november 2025 over, waar partijen zich bij neerleggen.

De rechtbank oordeelt dat de provincie een restantbedrag van €3.505,66 en een bedrag van €8.817,44 aan eiseres verschuldigd is, terwijl een vordering voor extra kosten wegens MMW 202 wordt afgewezen. Tevens verklaart de rechtbank dat de overeenkomst niet rechtsgeldig is ontbonden en dat de provincie gehouden is tot vergoeding van kosten wegens beëindiging in onvoltooide staat.

De rechtbank veroordeelt de provincie tot betaling van de toegewezen bedragen, vermeerderd met omzetbelasting, wettelijke handelsrente en een verhoging van 2% conform paragraaf 45 lid 2 UAV. Proceskosten worden gecompenseerd, waarbij eiseres wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van de gerechtsdeskundige. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de provincie tot betaling van diverse bedragen aan eiseres en verklaart de ontbinding van de overeenkomst niet rechtsgeldig.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaak-/rolnummer: C/09/608766 / HA ZA 21-251
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
advocaat: mr. L.C. van den Berg, te Den Haag,
tegen
DE PROVINCIE ZUID-HOLLAND, te Den Haag,
gedaagde,
advocaten: mr. M.S. Houweling en mr. B.T. Tonino, te Den Haag.
Partijen zullen hierna [eiseres] en de provincie worden genoemd.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 19 februari 2025, waarbij een deskundige is benoemd;
- de akte uitlating concept deskundigenbericht van de zijde van [eiseres] ;
- de akte concept-rapport deskundige & akte uitlaten, met producties, van de zijde van de provincie;
- het deskundigenbericht van 11 november 2025, met bijlagen;
- de antwoordakte, tevens houdende vermindering van eis van de zijde van [eiseres] ;
- de akte uitlaten van de zijde van de provincie;
- het bezwaar van [eiseres] van 11 februari 2025 tegen een deel van de akte uitlaten van de provincie;
- de rolbeslissing van 18 februari 2026, waarin de rechtbank een deel van de akte van de provincie heeft geweigerd;
- het bezwaar van de provincie van 3 maart 2026 tegen de rolbeslissing van 18 februari 2026;
- de reactie van [eiseres] van 25 maart 2026 op het bezwaar van de provincie;
- de rolbeslissing van 14 april 2026, waarin de rechtbank het bezwaar van de provincie heeft gepasseerd.
1.2.
Ten slotte is een datum vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Voor de feiten, de vorderingen en de stellingen van partijen verwijst de rechtbank naar haar eerdere tussenvonnissen van 8 november 2023 en 19 februari 2025 (hierna: de tussenvonnissen). De rechtbank blijft bij wat zij in de tussenvonnissen heeft overwogen en beslist.
2.2.
De rechtbank heeft – samengevat – in de tussenvonnissen van 8 november 2023 en 19 februari 2025 in verband met vorderingen III tot en met XXVIII (zoals genoemd onder B van 2.3 van het tussenvonnis van 19 februari 2025) geoordeeld dat vorderingen X (voor € 4.684,13), XIX (voor € 246.813,57), XXVI (voor € 21.538,49), XXVIII (€ 2.727,69) bij eindvonnis toe te wijzen en vorderingen III, VII, VIII, IX, XI, XIII, XIV, XX, XXII, XXIV, en bij eindvonnis af te wijzen. Voor de verdere beoordeling van de vorderingen XVII, XXI en XXV is de gerechtsdeskundige genoemd die het deskundigenbericht van 11 november 2025 heeft opgesteld.
2.3.
[eiseres] heeft bij antwoordakte, tevens houdende vermindering van eis haar eis gewijzigd in die zin dat zij haar vorderingen per 30 oktober 2025 vermindert met een bedrag van € 683.801,79 (ex btw) vanwege ontvangst van een betaling door de provincie van dat bedrag. Zij handhaaft in verband met voornoemd bedrag expliciet haar vordering in verband met de wettelijke handelsrente en de verhoging van 2% op grond van paragraaf 45 lid 2 UAV voor de periode 2 maart 2021 tot 30 oktober 2025.
Vorderingen XVII, XXI en XXV
2.4.
Beide partijen hebben te kennen gegeven zich te conformeren aan het deskundigenbericht en hebben daartegen geen inhoudelijk verweer gevoerd. De rechtbank neemt de bevindingen van de deskundige over. Dat betekent voor de vorderingen XVII, XXI en XXV het volgende.
Vordering XVII: de eindafrekening
2.5.
De deskundige heeft bepaald dat de provincie in verband met de eindafrekening een bedrag van € 687.307,45 aan [eiseres] verschuldigd is. De provincie heeft op 30 oktober 2025 een bedrag van € 683.801,79 aan [eiseres] betaald. Dat betekent dat er vanaf die datum nog een bedrag van
€ 3.505,66(€ 687.307,45 – € 683.801,79) resteert. De rechtbank zal de provincie veroordelen tot betaling van dit bedrag.
Vordering XXI: de afrekening risicoregeling tot einde werk
2.6.
De deskundige heeft bepaald dat de provincie in verband met de afrekening risicoregeling tot einde werk nog een bedrag van
€ 8.817,44aan [eiseres] verschuldigd is. De rechtbank zal de provincie veroordelen tot betaling van dit bedrag.
Vordering XXV: MMW 202
2.7.
De deskundige heeft bepaald dat MMW 202 bij een alternatieve uitvoeringsvolgorde niet tot extra kosten had hoeven leiden. Om die reden oordeelt de rechtbank dat de kosten voor MMW 202 niet voor vergoeding in aanmerking komen en vordering XXV zal worden afgewezen.
Slotsom met betrekking tot de vorderingen I tot en met XXVIII
2.8.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank de onder I en II gevorderde verklaringen voor recht zal toewijzen gezien haar eindoordelen onder 6.28 respectievelijk 6.34 van het tussenvonnis van 8 november 2023.
2.9.
In verband met vorderingen III tot en met XXVIII zal de rechtbank de volgende vorderingen toewijzen: X (voor € 4.684,13), XVII (voor € 3.505,66), XIX (voor € 246.813,57), XXI (voor € 8.817,44), XXVI (voor € 21.538,49) en XXVIII (€ 2.727,69). De vorderingen III, VII, VIII, IX, XI, XIII, XIV, XVIII, XX, XXII, XXIV en XXVII zal de rechtbank afwijzen.
2.10.
Zoals blijkt uit het rapport van de deskundige (vgl. de tabellen 5.11 en 5.14 (onder erkende vorderingen rechtbank)) zijn de bedragen van vorderingen XIX, XXVI en XXVIII al meegenomen in de eindafrekening (vordering XVII), zodat deze vorderingen niet apart worden toegewezen.
Vordering XXIX: Proceskosten en de oprente van paragraaf 45 lid 2 UAV
2.11.
Over vordering XXIX heeft de rechtbank tot aan dit vonnis nog niet geoordeeld. Bij conclusie na tussenvonnis tevens houdende vermindering/vermeerdering/wijziging van eis van 28 februari 2024 heeft [eiseres] haar eis gewijzigd. Onderdeel daarvan was een rentevordering op grond van paragraaf 45 lid 2 UAV. Tegen de gevorderde op-rente heeft de provincie geen verweer gevoerd, zodat de op-rente wordt toegewezen over de door de provincie verschuldigde bedragen.
2.12.
Nu beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld en het uiteindelijk door de provincie verschuldigde bedrag veel dichter ligt bij het bedrag dat de provincie zelf had berekend dan bij het initieel door [eiseres] gevorderde, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren. De rechtbank zal [eiseres] veroordelen tot betaling van de kosten van de gerechtsdeskundige, nu de vorderingen in verband waarmee de gerechtsdeskundige was ingeschakeld grotendeels zijn afgewezen voor zover [eiseres] meer vorderde dan wat de provincie bereid was te betalen. Het geringe bedrag dat in aanvulling op het door de provincie berekende bedrag verschuldigd is rechtvaardigt niet (de kosten van) het veel meer omvattende deskundigenbericht. Nu [eiseres] het voorschot heeft betaald, heeft zij de kosten van de gerechtsdeskundige al voldaan.
De gevorderde omzetbelasting en wettelijke handelsrente
2.13.
De gevorderde over de bedragen verschuldigde omzetbelasting alsmede de gevorderde wettelijke handelsrente zal de rechtbank over de toegewezen bedragen toewijzen zoals verzocht, nu de provincie daartegen geen verweer heeft gevoerd. Met betrekking tot het bedrag van € 683.801,79 ex btw dat de provincie op 30 oktober 2025 heeft betaald, is de provincie nog wel de wettelijke handelsrente en de op-rente van paragraaf 45 lid 2 UAV verschuldigd over de periode van 2 maart 2021 tot aan 30 oktober 2025.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat [eiseres] het werk uiterlijk 15 april 2021 mocht opleveren conform de overeenkomst van 16 december 2020 op grond van termijnverlenging conform paragraaf 8 lid 4 UAV;
3.2.
verklaart voor recht dat de overeenkomst van 16 december 2020 niet rechtsgeldig door de provincie is ontbonden en dat sprake is van beëindiging van het werk in onvoltooide staat en dat de provincie gehouden is de kosten op grond van paragraaf 14 UAV te vergoeden;
3.3.
veroordeelt de provincie tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 4.684,13, te vermeerderen met de verschuldigde omzetbelasting en met ingang van 12 januari 2021 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en de verhoging van 2% op grond van paragraaf 45 lid 2 UAV tot aan de dag van volledige betaling;
3.4.
veroordeelt de provincie tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 12.323,10, te vermeerderen met de verschuldigde omzetbelasting en met ingang van 2 maart 2021 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en de verhoging van 2% op grond van paragraaf 45 lid 2 UAV tot aan de dag van volledige betaling;
3.5.
veroordeelt de provincie tot betaling van de wettelijke handelsrente en de verhoging van 2% op grond van paragraaf 45 lid 2 UAV over een bedrag van € 683.801,79 met ingang van 2 maart 2021 tot aan 30 oktober 2025;
3.6.
compenseert de proceskosten, in die zin dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt en veroordeelt [eiseres] tot betaling van de kosten van de gerechtsdeskundige;
3.7.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 3.3. tot en met 3.6 uitvoerbaar bij voorraad;
3.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten, mr. M. Warmerdam en mr. M.A. Schueler en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.