ECLI:NL:RBDHA:2026:1229

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
C/09/697824 / KG RK 26-109
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters van de afdeling bestuursrecht van de rechtbank Den Haag

Op 26 januari 2026 heeft de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan op een wrakingsverzoek van verzoekster, bijgestaan door mr. R.M.G. Sussenbach. Het verzoek tot wraking was gericht tegen alle rechters van de afdeling bestuursrecht en specifiek tegen de behandelend rechter in de hoofdzaak, mr. M.J.L. van der Waals. Verzoekster voerde aan dat er twijfels bestonden over de onpartijdigheid van de rechters, onder andere vanwege persoonlijke relaties met een partij en eerdere betrokkenheid bij haar zaken. De wrakingskamer oordeelde echter dat verzoekster niet voldoende concrete feiten had aangedragen die de vrees voor partijdigheid konden onderbouwen. Het verzoek tot wraking werd afgewezen, omdat de aangevoerde gronden voornamelijk bestonden uit veronderstellingen en suggesties zonder feitelijke onderbouwing. De wrakingskamer benadrukte dat een rechter alleen gewraakt kan worden op basis van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing voor (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid opleveren. De beslissing tot het al dan niet inschakelen van een deskundige voor een second opinion werd beschouwd als een procedurele beslissing en kon geen grond voor wraking vormen. De wrakingskamer besloot dat het proces in de hoofdzaak voortgezet zou worden in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/03
zaak- /rekestnummer: C/09/697824 / KG RK 26-109
Beslissing van 26 januari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
bijgestaan door mr. R.M.G. Sussenbach, advocaat te Amsterdam,
strekkende tot de wraking van
mr. M.J.L. van der Waals,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de behandelend rechter in de hoofdzaak,
en
alle rechters van de afdeling bestuursrecht van de rechtbank Den Haag,
hierna te noemen: de rechters.

1.De procedure

1.1.
Op 8 januari 2026 heeft verzoekster een schriftelijke wrakingsverzoek ingediend in de zaak met nummer C/09/695844 / FA RK 25/9289 (hierna: de hoofdzaak). Dit verzoek is aangepast op 11 januari 2026.
1.2.
De wrakingskamer heeft de beschikking over het dossier in de hoofdzaak.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoekster heeft, voor zover van belang, het volgende aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegd:
“O.a. hieruit en het klakkeloos aannemen van wat er in niet betrouwbare politiemutaties is vermeld (Er is een reden waarom de afgelopen jaren heel wat strafzaken jegens mij in mijn voordeel zijn geseponeerd dan wel dat ik ben vrijgesproken van onderhavige valse beschuldigingen/aantijgingen/aangiftes/mutaties en onderhavige karaktermoord.), is er twijfel over de onpartijdigheid van het Openbaar Ministerie en de rechtbank Den Haag en of dit wel de juiste instanties zijn om de zaak te behandelen.
(…)
Het Openbaar Ministerie en de rechtbank, afdeling bestuursrecht, Den Haag denken bovengenoemde uitspraken/vonnissen/sepots zomaar aan een kant te kunnen zetten, opnieuw, maar dan via een andere gremia “recht te doen, m.i. onrecht te doen” en mij wederom ten onrechte te beschuldigen, mijn leven te bepalen en mij zelfs eventueel te doen opsluiten!, het klakkeloos aannemen van wat [hulpverlener] stelt zonder dat iemand controleerbaar onderzoek doet naar de betrouwbaarheid van de informatie/gegevens en daadwerkelijk, zoals door mij en mijn advocaat meermalen is verzocht, een onafhankelijke deskundige welke niet in dienst is van [hulpverlener]
in te schakelen voor een second opinion betreffende mijn psyche/psychische gesteldheid blijkt m.i. al de vooringenomenheid en partijdigheid van de rechtbank Den Haag, afdeling bestuursrecht.
Deze twijfel aan zijn onpartijdigheid, zoals persoonlijke relaties met een partij (met psychiaters bij [hulpverlener] . Dit is zelfs meermalen door rechters van de rechtbank Den Haag, afdeling bestuursrecht ter zitting verteld (hadden zij zich niet ambtshalve moeten verschonen(?).), eerdere betrokkenheid bij de zaak/mijn zaken, of uitspraken (o.a. een blonde “vrouwelijke” rechter uit Den Haag die zegt dat ik discriminatie moet accepteren, weer een andere “mannelijke” rechter uit Den Haag die denigrerend/en lachend uit het niets ruim voor zijn uitspraak tijdens de zitting roept dat ik gestoord ben en tenslotte die “mannelijke” rechter die voordat hij mijn advocaat en mij uberhaupt
het woord gaf van te voren/in het begin van de zitting in overleg met de arts [naam] het mondeling vonnis opstelde), die vooringenomenheid suggereren heeft de rechtbank Den Haag, afdeling bestuursrecht zelf gewekt, en derhalve rest mij niet anders dan op dit moment niet alleen de rechter die onderhavige zaak behandelt (Evt. Verlenging Zorgmachtiging). maar al de rechters van deze rechtbank, afdeling bestuursrecht te wraken en niet bevoegd te verklaren om mijn zaak/zaken te behandelen!
Daarbij komt dat ik meerdere zaken tegen rechters van deze rechtbank, afdeling bestuursrecht, heb lopen, die onder de rechter zijn. Het kan en mag dan ook niet zo zijn dat “de slager zijn eigen vlees keurt”. Dit zou onder andere in strijd zijn met de wet- en regelgeving, de algemene regels van behoorlijk bestuur, de jurisprudentie en de bedoeling van de wetgever.”

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Uit het wrakingsverzoek leidt de wrakingskamer af dat het verzoek tot wraking betrekking heeft op de behandelend rechter in de hoofdzaak (een verzoek tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)), alsmede op alle rechters van de afdeling bestuursrecht van de rechtbank Den Haag.
Ten aanzien van alle rechters van de afdeling bestuursrecht
3.3.
Uit de wet volgt dat een wrakingsgrond gelegen moet zijn in feiten en omstandigheden die de persoon van de rechter betreffen. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft verzoekster niet concreet uiteen gezet welke rechter in welke zaak, anders dan de behandeld rechter in de hoofdzaak, zij wraakt. Bovendien betreft hetgeen zij in haar wrakingsverzoek aanvoert slechts veronderstellingen en suggesties. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van alle rechters van de afdeling bestuursrecht of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor in haar zaken kan afleiden, ontbreken. Daarom is het verzoek tot wraking van alle rechters van de afdeling bestuursrecht niet toewijsbaar.
Ten aanzien van de behandelend rechter in de hoofdzaak
3.4.
Naar de wrakingskamer begrijpt vindt verzoekster de behandelend rechter in de hoofdzaak vooringenomen en partijdig omdat geen onafhankelijke deskundige is ingeschakeld voor een second opinion, hoewel daar wel door en namens haar om is verzocht.
3.5.
Een beslissing tot het al dan niet inschakelen van een (onafhankelijke) deskundige voor een second opinion is een procedurele rechterlijke beslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek, voor zover het is gebaseerd op de (tussen)beslissing, niet toewijsbaar is.
3.6.
Verder stelt verzoekster te twijfelen aan de onpartijdigheid van de behandelend rechter in de hoofdzaak omdat er persoonlijke relaties zijn met een partij. Deze door verzoekster aangevoerde grond heeft zij echter niet nader onderbouwd en betreft slechts een veronderstelling. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de gestelde (schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid van de behandelend rechter in de hoofdzaak zou kunnen afleiden ontbreken. Daarom is het wrakingsverzoek tot wraking van de behandelend rechter in de hoofdzaak ook op deze grond niet toewijsbaar.
3.7.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
Ten aanzien van alle rechters van de afdeling bestuursrecht, alsmede de behandelend rechter in de hoofdzaak
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoekster p/a haar advocaat mr. R.M.G. Sussenbach;
• de officier van justitie;
• de behandelend rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en A.M. Boogers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.