ECLI:NL:RBDHA:2026:1229
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters van de afdeling bestuursrecht van de rechtbank Den Haag
Op 26 januari 2026 heeft de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan op een wrakingsverzoek van verzoekster, bijgestaan door mr. R.M.G. Sussenbach. Het verzoek tot wraking was gericht tegen alle rechters van de afdeling bestuursrecht en specifiek tegen de behandelend rechter in de hoofdzaak, mr. M.J.L. van der Waals. Verzoekster voerde aan dat er twijfels bestonden over de onpartijdigheid van de rechters, onder andere vanwege persoonlijke relaties met een partij en eerdere betrokkenheid bij haar zaken. De wrakingskamer oordeelde echter dat verzoekster niet voldoende concrete feiten had aangedragen die de vrees voor partijdigheid konden onderbouwen. Het verzoek tot wraking werd afgewezen, omdat de aangevoerde gronden voornamelijk bestonden uit veronderstellingen en suggesties zonder feitelijke onderbouwing. De wrakingskamer benadrukte dat een rechter alleen gewraakt kan worden op basis van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing voor (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid opleveren. De beslissing tot het al dan niet inschakelen van een deskundige voor een second opinion werd beschouwd als een procedurele beslissing en kon geen grond voor wraking vormen. De wrakingskamer besloot dat het proces in de hoofdzaak voortgezet zou worden in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.