Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12308

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
24/7415
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij intrekking bestreden besluit

Eiseres, een bijstandsgerechtigde die deelnam aan een re-integratietraject, maakte melding van grensoverschrijdend gedrag en meldde zich ziek voor het traject. Het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn besloot op 26 april 2024 dat zij het traject moest hervatten. Dit besluit werd op 2 juli 2024 bestreden en het bezwaar ongegrond verklaard.

Later trok het college op 23 december 2024 zowel het bestreden besluit als het eerdere besluit in, naar aanleiding van een sociaal medisch advies van een GGD-arts die eiseres niet arbeidsgeschikt achtte. Ondanks deze intrekking bleef eiseres het beroep voortzetten, stellende dat haar meldingen niet serieus werden genomen en dat zij schade had geleden door de werkwijze van haar klantmanager.

De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van procesbelang volgt uit de intrekking van de besluiten, waardoor eiseres geen gunstige beslissing meer kan bereiken. Klachten over de gang van zaken en verzoeken om immateriële schadevergoeding zijn onvoldoende om ontvankelijkheid te rechtvaardigen. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na intrekking van het bestreden besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7415

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, het college
(gemachtigde: mr. N.T. Bui).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van het college van 2 juli 2024.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiseres procesbelang?
2. De rechtbank kan het beroep van eiseres alleen inhoudelijk beoordelen als eiser procesbelang heeft. Procesbelang houdt in dat de eisende partij met de procedure bij de rechtbank voor zichzelf een gunstige beslissing wil bereiken en die (gunstige) beslissing ook echt kan bereiken met die procedure. Procesbelang is een voorwaarde voor ontvankelijkheid. Omdat de vraag naar het procesbelang van openbare orde is, moet de rechtbank dat ambtshalve beoordelen.
2.1.
Als de belanghebbende in bezwaar of beroep al heeft bereikt of toegekend heeft gekregen wat de belanghebbende maximaal met het bezwaar of beroep kan bereiken, ontbreekt procesbelang.
2.2.
Het enkele feit dat een partij een principiële uitspraak wenst, uitleg wenst te krijgen over de gang van zaken of uitleg over (het hoe en waarom van) de genomen besluiten, levert geen procesbelang op.
3. Eiseres ontvangt een bijstandsuitkering en was werkzaam bij [instantie] in het kader van een re-integratietraject. Zij heeft zich ziek gemeld voor het traject bij [instantie] nadat zij op 11 maart 2024 melding heeft gemaakt van grensoverschrijdend gedrag door een persoon die ook aan het re-integreren was bij [instantie].
3.1.
Bij besluit van 26 april 2024 heeft het college eiseres meegedeeld dat zij op 3 mei 2024 het traject bij [instantie] moet hervatten.
3.2.
Bij het bestreden besluit van 2 juli 2024 heeft het college het bezwaar, met verwijzing naar het advies van de extern adviseur van 25 juni 2024, ongegrond verklaard.
3.3.
Bij brief van 10 juli 2025 heeft het college de rechtbank meegedeeld dat op 23 december 2024 een nieuw besluit is genomen. Het college heeft daarbij het bestreden besluit en het besluit van 26 april 2024 ingetrokken. Het college heeft daartoe besloten nadat de GGD-arts in het sociaal medisch advies van 28 oktober 2024 heeft geconcludeerd dat eiseres niet arbeidsgeschikt wordt geacht gelet op haar mentale problematiek. Het college heeft tevens een bedrag van € 51,- aan griffiekosten overgemaakt naar eiseres.
3.4.
Eiseres heeft op 21 juli 2025 aangegeven het beroep niet in te willen intrekken. Dat de besluiten van 26 april 2024 en 2 juli 2024 zijn ingetrokken laat volgens haar onverlet dat het college haar melding over grensoverschrijdend gedrag en haar ziekmelding niet serieus heeft genomen. [instantie] is daardoor geen veilige werkplek voor haar en ook niet voor anderen. Tevens heeft zij door de werkwijze van haar klantmanager bij Rijnvicus [1] schade opgelopen nu zij overspannen is geraakt. Daarnaast is zij ondanks het advies van de GGD-arts wederom benaderd op 4 november 2024 en 14 november 2024 voor een vervolg van het re-integratietraject. Dat het college aanstuurt op intrekking van het beroep laat volgens eiseres ook zien dat haar meldingen niet serieus worden genomen. Eventueel betaalde griffiekosten zal zij dan ook terugstorten naar het college. Eiseres heeft verder opgemerkt dat zij de door haar gemaakte reiskosten in februari en maart 2024 tot op heden nooit heeft ontvangen.
3.5.
Dat eiseres ontevreden is over de gang van zaken bij het college kan voor haar reden zijn bij het college een klacht in te dienen, maar het levert geen rechtens te honoreren belang op voor een procedure bij de rechtbank, nu dit niet ziet op de rechtmatigheid van het inmiddels ingetrokken bestreden besluit.
3.6.
De rechtbank ziet verder geen voldoende belang in het verzoek om vergoeding van immateriële schade. De rechtbank acht het niet op voorhand aannemelijk gemaakt dat eiseres ten gevolge van de besluitvorming van het college, die ziet op hervatting van het traject, enige schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen. Als eiseres vindt dat het college haar een vergoeding voor reiskosten zou moeten toekennen, zal ze dat bij het college moeten aankaarten.
3.7.
Gezien het voorgaande heeft eiseres geen belang bij een beoordeling van het ingetrokken besluit en dus is het beroep niet-ontvankelijk. Er is daarom geen reden voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Ontwikkelbedrijf van gemeente Alphen aan den Rijn