ECLI:NL:RBDHA:2026:12484
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenvergoeding toegekend wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf
Verzoeker diende een beroep in tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Op 26 februari 2026 nam de minister alsnog een besluit op de aanvraag, waarna verzoeker zijn beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De minister bood een vergoeding van € 233,50 aan, maar verzoeker was hiermee niet akkoord. De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep door alsnog te beslissen en dat verzoeker daarom recht had op proceskostenvergoeding.
De rechtbank hanteerde een wegingsfactor van 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak en kende een vergoeding toe van € 467,-. De rechtbank wees het standpunt van de minister af dat de zaak van zeer licht gewicht was en daarmee een lagere vergoeding verdiende.
De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.H.G.P. Tober op 23 april 2026 in Utrecht. De uitspraak is openbaar en bevat een toelichting op het indienen van een verzetschrift.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 467,- aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen op de aanvraag.