ECLI:NL:RBDHA:2026:12506
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdelingenbewaring
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op 22 april 2026 op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tevens verzocht zij om toekenning van schadevergoeding. De zaak is schriftelijk behandeld en de rechtbank heeft het onderzoek op 11 mei 2026 gesloten.
Eiseres stelde dat zij niet voorafgaand aan de maatregel was gehoord, dat haar ten onrechte niet opnieuw de toegang tot Nederland werd geweigerd, dat de mededeling van de maatregel in het Russisch was terwijl zij die taal niet of nauwelijks beheerst, en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde door pas op 5 mei 2026 een nader gehoor te houden.
De rechtbank oordeelde dat eiseres wel degelijk voorafgaand aan de oplegging van de maatregel is gehoord, dat zij de Russische tolk goed verstond, en dat verweerder voldoende voortvarend handelde binnen de vierweekse termijn van de grensprocedure. De rechtbank zag geen onrechtmatigheid in de maatregel en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.