Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12506

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL26.23629
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwArt. 3 lid 4 VwArt. 94 lid 6 VwArt. 5.1a Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdelingenbewaring

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op 22 april 2026 op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tevens verzocht zij om toekenning van schadevergoeding. De zaak is schriftelijk behandeld en de rechtbank heeft het onderzoek op 11 mei 2026 gesloten.

Eiseres stelde dat zij niet voorafgaand aan de maatregel was gehoord, dat haar ten onrechte niet opnieuw de toegang tot Nederland werd geweigerd, dat de mededeling van de maatregel in het Russisch was terwijl zij die taal niet of nauwelijks beheerst, en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde door pas op 5 mei 2026 een nader gehoor te houden.

De rechtbank oordeelde dat eiseres wel degelijk voorafgaand aan de oplegging van de maatregel is gehoord, dat zij de Russische tolk goed verstond, en dat verweerder voldoende voortvarend handelde binnen de vierweekse termijn van de grensprocedure. De rechtbank zag geen onrechtmatigheid in de maatregel en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23629

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. E. Stap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

1. Bij besluit van 22 april 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 5 mei 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 6 mei 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft op 11 mei 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
4. Eiseres voert kort samengevat aan dat zij niet is gehoord voorafgaande aan de oplegging van de maatregel. Daarnaast is eiseres ten onrechte niet opnieuw de toegang geweigerd. Verder is de inhoud en strekking van de maatregel aan eiseres medegedeeld in het Russisch. Dat is een taal die zij niet of nauwelijks begrijpt. Daarnaast voert eiseres aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt door pas op 5 mei 2026 een nader gehoor te houden.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Eiseres heeft met haar asielaanvraag om toegang tot Nederland verzocht. In het geval van eiseres was verweerder op grond van artikel 3, vierde lid, van de Vw verplicht om het besluit omtrent weigering tot toegang tot Nederland uit te stellen, hetgeen verweerder heeft gedaan. Gelet hierop was verweerder niet gehouden om nu al aan eiseres de toegang tot Nederland te weigeren. Verder stelt de rechtbank vast dat eiseres gehoord is voorafgaande aan oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Dit blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van 22 april 2026, bladzijde 2. Niet is gebleken dat eiseres de tolk niet verstond of dat zij de Russische taal niet machtig is. Daarbij komt dat eiseres op 12 april 2026 eveneens is gehoord met een tolk Russisch en dat daarbij evenmin is gebleken van communicatieproblemen. Eiseres heeft toen verklaard dat zij de tolk goed begrijpt.
7. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder voldoende voortvarend handelt. Eiseres heeft op 22 april 2026 een asielaanvraag ingediend en deze aanvraag wordt behandeld in de grensprocedure. Daar heeft verweerder vier weken voor en deze termijn loopt dus af op 20 mei 2026. Op 5 mei 2026 heeft eiseres een nader gehoor gehad. Gelet hierop staat niet vast dat verweerder de vierwerkentermijn niet zal halen.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [1] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.