Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Rechtbank Den Haag
Eiser, afkomstig uit Iran, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 18 november 2024 en moest in beginsel binnen zes maanden beslissen. Eiser stelde de minister op 19 februari 2026 schriftelijk in gebreke en diende op 6 maart 2026 beroep in wegens het niet tijdig beslissen.
Ten tijde van de ingebrekestelling en het beroep was het besluitmoratorium voor Iraanse asielaanvragen, dat sinds 24 maart 2026 geldt, nog niet van kracht. Dit moratorium verlengt de beslistermijn met maximaal één jaar tot 21 maanden. De aanvraag van eiser valt onder dit moratorium, waardoor de beslistermijn nog niet was verstreken op het moment van de uitspraak.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk maar kennelijk ongegrond is. De minister wordt veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding van €467,- aan eiser, omdat eiser een professionele gemachtigde inschakelde en het beroep tijdig werd ingesteld. De rechtbank wijst erop dat eiser binnen zes weken na verzending van de uitspraak een verzetschrift kan indienen.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege het geldende besluitmoratorium.