Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12542

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL26.24779
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 2 Vw 2000Art. 50 lid 1 Vw 2000Art. 50 lid 3 Vw 2000Art. 8 Vw 2000Art. 106 lid 1 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring vreemdeling en afwijzing schadevergoeding

Eiser maakte bezwaar tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring was inmiddels opgeheven, waardoor de rechtbank zich beperkte tot de vraag of eiser recht heeft op schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring.

Eiser stelde dat hij onrechtmatig was staande gehouden en opgehouden, en dat de bewaring op een onjuiste grondslag was gebaseerd. De rechtbank oordeelde dat er een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond omdat eiser ondanks bevelen niet naar Duitsland was teruggekeerd, waar hij een verblijfsrecht had. De staandehouding en ophouding waren daarom rechtmatig.

Verder was voldaan aan de voorwaarden voor bewaring op grond van artikel 59, tweede lid, Vw 2000. De minister hoefde geen lichter middel toe te passen omdat eiser niet meewerkte aan zijn vertrek naar Duitsland. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de bewaring onrechtmatig was geweest en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24779

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 1 mei 2026 waarin de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
De minister heeft op 6 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister eiser in bewaring mocht stellen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenaamde beroepsgronden.
2.1.
Omdat de bewaring op 6 mei 2026 is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. De rechtbank kan een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen als de bewaring is opgeheven vóórdat de zitting heeft plaatsgevonden. [1] In dat verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
2.2.
In artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 staat dat, indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, het belang van de openbare orde geacht wordt de bewaring van de vreemdeling te vorderen, tenzij de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met, en l. Bij een inbewaringstelling op deze grondslag mag de minister uitgaan van een rechtsvermoeden dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert.
Is eiser onrechtmatig staande gehouden en opgehouden?
3. Eiser voert aan dat hij onrechtmatig is staande gehouden en onrechtmatig is opgehouden. De staandehouding heeft plaatsgevonden op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 en de ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000. Daarvoor is, respectievelijk, nodig dat sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf en dat geen sprake was van een rechtmatig verblijf. Eiser betwist dat daar sprake van was. Eiser is na het laatste bevel van 17 juli 2025 om Nederland te verlaten meerdere keren MOB gegaan. Niet is onderzocht of eiser in die periode gevolg heeft gegeven aan het bevel tot terugkeer. Dat is hem ook niet gevraagd. Dat hij wel terug is gegaan naar Duitsland, ligt voor de hand omdat hij in Duitsland een vluchtelingenstatus en een adres heeft. Eiser is ook met een geldige verblijfskaart de binnengrens gepasseerd. Een dergelijk onderzoek lag te meer voor de hand gelet op de geestesgesteldheid van eiser. Dat hij in dat opzicht bijzondere aandacht nodig had blijkt wel omdat hij, ondanks zijn status in Duitsland, telkens weer naar Nederland is gekomen omdat hij denkt dat vanuit hier zijn vertrek naar Irak geregeld kan worden.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Niet in geschil is dat eiser een verblijfsrecht heeft in Duitsland en dat aan hem meerdere keren is bevolen om zich daar naartoe te begeven. Uit de stukken blijkt dat na het laatste bevel op 17 juli 2025 eiser drie keer MOB is gegaan. Uit het vertrekgesprek van 19 januari 2026 blijkt voldoende duidelijk dat eiser na de eerste twee keer niet naar Duitsland is gegaan. Verder heeft eiser in dat vertrekgesprek aangegeven dat hij de taxi in zal stappen als zijn terugkeer naar Duitsland zover is, maar vervolgens is hij ook op 26 januari 2026 MOB gegaan. Uit de stukken blijkt verder dat door een medewerker van de Dienst Terugkeer en Vertrek op 17 april 2026 aan de afdeling Dublin gevraagd is of eiser verwijderbaar is waarop dat diezelfde dag is bevestigd. Op grond van deze omstandigheden kon aangenomen worden dat eiser niet naar Duitsland was teruggekeerd. Er bestond dan ook een redelijk vermoeden van illegaal verblijf op grond waarvan eiser kon worden staandegehouden. De staandehouding op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 heeft aldus rechtmatig plaatsgevonden. Op grond van het voorgaande bleek ook voldoende dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland had op grond waarvan eiser kon worden opgehouden. De ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 heeft daarmee ook rechtmatig plaatsgevonden. Dat eiser bijzondere aandacht nodig had vanwege zijn geestesgesteldheid is onvoldoende aannemelijk gemaakt. De enkele omstandigheid dat eiser telkens weer in Nederland opduikt en daarbij verklaart dat hij vanuit hier naar Irak wil vertrekken is daarvoor onvoldoende.
Is eiser in bewaring gesteld op een onjuiste grondslag?
4. Eiser voert aan dat hij niet op grond van artikel 59, tweede lid, in bewaring gesteld had mogen worden omdat er onvoldoende grondslag is voor de constatering van de minister dat eiser niet rechtmatig verbleef in Nederland. Eiser heeft hieraan hetzelfde ten grondslag gelegd als onder 3 genoemd. Verder stelt eiser dat in de maatregel ook niet is gesteld noch daaruit is gebleken dat eisers verblijf niet rechtmatig was.
4.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst daarvoor naar hetgeen zij onder 3.1 heeft overwogen. Verder heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling op aan hem gestelde vragen verklaard dat hij nog nooit stappen heeft ondernomen om terug te keren naar Duitsland en dat hij zich nog niet naar Duitsland heeft begeven. Eiser heeft aldus geen gevolg gegeven aan de eerdere bevelen van de minister om naar Duitsland te gaan. Hieruit volgt dat van een tussentijdse terugkeer naar Duitsland geen sprake is en dat eiser illegaal verbleef in Nederland. Verder is in de maatregel benoemd dat aan eiser op 22 april 2026 een Europees reisdocument is afgegeven voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen en is een procedureoverzicht opgenomen waaruit blijkt dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vw 2000 zoals genoemd in artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000. Hiermee is voldaan aan de voorwaarden om eiser op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 in bewaring te stellen. [2]
Middelen van bestaan
5. De grond dat eiser wel middelen van bestaan heeft, behoeft geen bespreking omdat bij een maatregel op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 geen sprake hoeft te zijn van zware of lichte gronden. De minister heeft ter zitting ook toegelicht dat waar in de maatregel wordt gesproken over het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan dit slechts ter informatie is opgenomen.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met oplegging van een lichter middel omdat eiser zowel toen hij is staandegehouden als in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling en ook eerder dit jaar jegens de Dienst Terugkeer en Vertrek heeft verklaard mee te zullen werken aan zijn vertrek aan Duitsland. De minister had eiser hierin serieus moeten nemen.
6.1.
Ook deze grond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kan worden toegepast. Daarbij heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser nooit iets heeft ondernomen om zijn vertrek naar Duitsland mogelijk te maken en dat ook het voeren van gesprekken en het opleggen van een meldplicht niet heeft geleid tot zijn vertrek. Eiser is meerdere keren MOB gegaan en vervolgens weer in Nederland aangetroffen, de laatste keer ook nadat hij in het vertrekgesprek van 19 januari 2026 had aangegeven dat hij naar Duitsland zou gaan als zijn terugkeer zover was. De rechtbank leest in het proces-verbaal van staandehouding niet dat eiser te kennen heeft gegeven te zullen meewerken aan zijn vertrek naar Duitsland. Dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling te kennen heeft gegeven mee te zullen werken aan zijn vertrek heeft de minister dan ook niet geloofwaardig hoeven te achten.
Ambtshalve toets
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. [3]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Dat staat in artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
2.Zie ook de uitspraak van de ABRvS van 12 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:28.
3.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).