ECLI:NL:RBDHA:2026:12570

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL26.14737
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet-tijdig beslissen inreisverbod en proceskostenveroordeling

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn verzoek van 24 december 2025 om opheffing van een inreisverbod dat op 18 november 2024 aan hem was opgelegd. Op 23 maart 2026 heeft de minister alsnog een besluit genomen (het reële besluit). Eiser handhaafde zijn beroep.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet-tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het doel van het beroep, namelijk het verkrijgen van een beslissing, inmiddels is bereikt. Er is geen procesbelang meer bij het beroep. Het beroep tegen het reële besluit wordt ongegrond verklaard.

Eiser had verzocht om vrijstelling van griffierecht, welke werd toegekend. De rechtbank overweegt dat sinds 15 april 2025 in vreemdelingenzaken geen bestuurlijke dwangsommen meer worden toegekend bij te late beslissingen, tenzij aan strikte voorwaarden is voldaan die hier niet aanwezig zijn.

De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €467,-, vanwege het te late besluit en het terechte beroep van eiser. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.H.G.P. Tober op 1 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.14737
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R. Aboukir),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn verzoek van 24 december 2025 om opheffing van het inreisverbod dat aan hem op 18 november 2024 is opgelegd.
Op 23 maart 2026 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de aanvraag (het reële besluit).
Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in de zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. Eiser heeft voldoende aangetoond dat hij aan de voorwaarden voor deze vrijstelling voldoet. De rechtbank verleent eiser daarom vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen.
Hoe oordeelt de rechtbank over het beroep?
3. Het beroep van eiser tegen het niet-tijdig beslissen door de minister is kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank zal geen uitspraak doen over de vraag of eiser gelijk had met zijn beroep. Dit is om de volgende reden. Eiser wilde met zijn beroep bereiken dat de minister alsnog zou beslissen op zijn aanvraag. Omdat de minister inmiddels heeft beslist, heeft het beroep van eiser geen zin meer. Eiser heeft zogezegd geen procesbelang meer bij zijn beroep.
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag heeft mede betrekking op het reële besluit, aangezien het reële besluit niet geheel aan het beroep tegemoetkomt.2 Eiser voert in dit verband aan dat de minister ten onrechte geen bestuurlijke dwangsom heeft toegekend.
5. De rechtbank overweegt dat het bestuursorgaan een bestuurlijke dwangsom aan een betrokkene verbeurt, als het niet op tijd een beslissing neemt.3 Met ingang van 15 april 2025 zijn in vreemdelingenzaken de wettelijke bepalingen met betrekking tot de bestuurlijke dwangsom niet meer van kracht.4 Dit is slechts anders als de minister vóór 15 april 2025 niet tijdig heeft beslist én de minister eveneens vóór die datum in gebreke is gesteld. Deze omstandigheid doet zich in deze zaak niet voor. De rechtbank kan de hoogte van de verbeurde dwangsom daarom niet vaststellen. Daarmee staat vast dat de minister geen bestuurlijke dwangsom is verschuldigd als hij te laat beslist op een dergelijke aanvraag.
Veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eiser?
6. De rechtbank ziet aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken. Dit omdat de minister het besluit van
23 maart 2026 te laat heeft genomen en eiser terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van dat besluit. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de andere partij laten betalen.5
7. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser vast op € 467,-. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen het reële besluit ongegrond;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
M.H.G.P. Tober, griffier.
2 Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
3 Artikel 8:55c van de Awb.
4 Stb. 2025, 96.
5 Artikel 8:75, eerste lid, van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
01 mei 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.