Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12572

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
09/022922-26, 09/027048-26 (ttz. gev.), 05/347668-25, (ttz. gev.), 05/213711-25 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 45 SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor twee woninginbraken en een poging tot woninginbraak met gevangenisstraf

De rechtbank Den Haag heeft op 20 mei 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van twee woninginbraken en een poging tot woninginbraak. De feiten vonden plaats in november 2025 en januari 2026 in respectievelijk Den Haag, Wageningen en Sassenheim. De verdachte werd op heterdaad aangehouden bij de poging tot inbraak.

Tijdens de terechtzitting op 6 mei 2026 heeft de verdachte bekend en is de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen verklaard. De rechtbank nam het strafblad en het reclasseringsadvies mee in haar overwegingen, waarbij sprake was van een hoog recidiverisico en problematiek bij de verdachte. De verdachte toonde zich gemotiveerd om met de reclassering samen te werken.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van twaalf maanden op, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, ambulante behandeling, locatiegebod met elektronisch toezicht en een contactverbod met een medeverdachte. Tevens werd de verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €543,01 aan een benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente.

Daarnaast werd de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 108 dagen wegens overtreding van de voorwaarden. De rechtbank achtte de opgelegde straf passend gelet op de ernst van de feiten, het strafblad en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en oplegging van bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/022922-26, 09/027048-26 (ttz. gev.), 05/347668-25, (ttz. gev.), 05/213711-25 (tul)
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 6 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Baas en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. N.B. Genemans naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met parketnummers 09/022922-26 (hierna: dagvaarding I), 09/027048-26 (hierna: dagvaarding II) en 05/347668-25 (hierna: dagvaarding III). De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gelegd.
Kort en feitelijk weergegeven komen de verdenkingen op het volgende neer. Onder dagvaarding I wordt de verdachte ervan verdacht dat hij een poging tot inbraak in een woning in Sassenheim heeft gedaan, samen met een of meer andere personen. Onder dagvaarding II wordt de verdachte ervan verdacht te hebben ingebroken in een woning in Den Haag, waarbij hij een of meer kettingen en een oorbel zou hebben gestolen. Onder dagvaarding III is aan de verdachte diefstal van enkele sieraden uit een woning in Wageningen ten laste gelegd.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).
Elk bewijsmiddel wordt — ook in zijn onderdelen — slechts gebruikt tot bewijs van dat
bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud,
betrekking heeft.
Dagvaarding I
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026022027, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 81).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 6 mei 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] , opgemaakt op 20 januari 2026 (p. 27);
3. Het proces-verbaal van aanhouding van [verdachte] , opgemaakt op 20 januari 2026, (p. 46);
4. Het proces-verbaal van aanhouding van verdachte [medeverdachte] , opgemaakt op 20 januari 2026, (p. 65);
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 11);
Dagvaarding II
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025379292, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 86).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 6 mei 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] , opgemaakt op 9 november 2025 (p. 9);
3. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] , opgemaakt op 14 november 2025 (p. 14);
Dagvaarding III
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL0600-2025614785, van de politie eenheid Oost-Nederland, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 107).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 6 mei 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 3] , opgemaakt op 20 december 2025 (p. 8);
3. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 4] , opgemaakt op 20 december 2025 (p. 11).
3.2.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding Ihij op 20 januari 2026 te Sassenheim, gemeente Teylingen, tezamen en
in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het doorverdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om een of meer goederen van hun gading, in elk geval enig goed, dat/die aan de moeder van [aangever 1] toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat/die weg te nemen goed/goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Dagvaarding IIhij op 9 november 2025 te ’s-Gravenhage drie (zilveren) kettingen en een (gouden) oorbel,
in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen
ketting(en) en oorbel onder zijn bereik heeft gebracht door
middel van braak;
Dagvaarding IIIhij op 20 december 2025 te Wageningen, in een woning, te weten aan de [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende
(n
)bevond,
- een of meer sieradendozen en armbanden en oorbellen, die aan [aangever 4] toebehoorden en
- een of meer oorbellen en armbanden en kettingen en spelden en ringen, die aan [aangever 3] toebehoorden,
heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft
en die weg te nemen sieraden en goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden de voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering en een contactverbod met medeverdachte [medeverdachte] .
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zo snel mogelijk hulp moet krijgen van de reclassering en dat hij nu gemotiveerd is om met de reclassering aan de slag te gaan. De raadsman heeft daarom verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de periode die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en tot 21 mei 2026, omdat op die dag de elektronische monitoring van start kan gaan. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat deze onvoorwaardelijke gevangenisstraf, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, een passende straf is voor de verdachte.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee woninginbraken en een poging daartoe. De poging is enkel bij een poging gebleven, omdat de verdachte op heterdaad werd aangehouden. Bij deze woninginbraken is de verdachte berekenend te werk gegaan. Zo heeft hij in Sassenheim vooraf de buurt verkend, om te zien waar mensen thuis waren en waar niet. De verdachte heeft de woninginbraak in Wageningen gepleegd naar aanleiding van een tip van een kennis. De verdachte is daarvoor met het openbaar vervoer van Den Haag naar Wageningen gereisd. Hieruit blijkt dat de verdachte niet in een opwelling handelde, maar de woningen welbewust heeft uitgekozen. De verdachte heeft bij alle drie de woninginbraken een ruit vernield zodat hij de woningen kon betreden. Door de woninginbraken heeft de verdachte schade veroorzaakt en inbreuk gemaakt op de privacy van de slachtoffers. Door de woninginbraken heeft hij de slachtoffers ook een gevoel van onveiligheid bezorgd. Bovendien geven woningbraken niet alleen de bewoners een onveilig gevoel, maar dragen woninginbraken ook bij aan een gevoel van onveiligheid binnen een woonwijk. De verdachte heeft blijk gegeven van een gebrek aan respect voor andermans eigendommen en gevoel van veiligheid. Hij heeft alleen aan zichzelf en zijn eigen financieel gewin gedacht.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 april 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte eerder meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van
29 april 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek en van een hoog recidiverisico. Met name het ontbreken van een gestructureerde daginvulling, beperkte copingvaardigheden en een hoge mate van beïnvloedbaarheid dragen bij aan het door de verdachte getoonde delictgedrag. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Deze voorwaarden betreffen een meldplicht, ambulante behandeling met de mogelijkheid van een kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een locatiegebod met elektronische monitoring, dagbesteding en de aflossing van schulden. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de verdachte zich bereid en gemotiveerd getoond om zich aan deze voorwaarden te houden.
Strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. De rechtbank ziet de verdachte, gelet op zijn strafblad, als een recidivist. In de oriëntatiepunten is voor inbraak in een woning en recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden vermeld.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 12 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De rechtbank zal een deel van die straf, namelijk vier maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank zal daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en een contactverbod met medeverdachte [medeverdachte] verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
De op te leggen straf is lager dan de straf die is geëist door de officier van justitie. De reden daarvoor is dat in de strafvorderingsrichtlijnen van het Openbaar Ministerie voor woninginbraak een hogere strafmaat als uitgangspunt wordt genoemd dan in de landelijke oriëntatiepunten van de rechtspraak. Daarnaast heeft de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat in positieve zin meegewogen dat de verdachte tot op zekere hoogte verantwoordelijkheid heeft genomen voor de bewezen verklaarde feiten en zich tijdens de terechtzitting bereid en gemotiveerd heeft getoond om zijn leven op orde te krijgen.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 543,01, bestaande uit kosten voor het treffen van een noodvoorziening voor het raam, te vermeerderen met de wettelijke rente.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd om de vordering van de benadeelde toe te wijzen, te verhogen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij betwist. De raadsman heeft aangevoerd dat onvoldoende duidelijk is of de door de benadeelde partij gevorderde schade is vergoed door de verzekering. De vordering is daarom onvoldoende onderbouwd. De vordering moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Het is aan de benadeelde partij om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat hij door het handelen van de verdachte schade heeft geleden. Daarnaast is het aan hem om, bij betwisting daarvan, die feiten en omstandigheden te onderbouwen.
De benadeelde partij heeft gesteld dat hij schade heeft geleden, omdat hij een noodvoorziening voor het gebroken raam moest laten plaatsen. Hij heeft de vordering onderbouwd met een factuur. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij de vordering daarmee voldoende onderbouwd. Uit de door de benadeelde partij ingediende stukken blijkt dat de kosten voor het daadwerkelijk vervangen van het raam zijn gedekt door de verzekering. Deze kosten zien dus niet op de noodvoorziening, waarvoor de vordering is ingediend. De rechtbank zal de gevorderde schadevergoeding daarom toewijzen.
Omdat de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.
De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die benadeelde [aangever 2] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover benadeelde [aangever 2] aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 543,01 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 25 maart 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 05/213711-25 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 108 dagen met aftrek van de meervoudige kamer te Arnhem van 12 september 2025, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte nu gemotiveerd is om met de reclassering aan de slag te gaan en dat het van belang is dat hij snel passende hulp krijgt.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten. De vordering tot tenuitvoerlegging voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en dus de algemene voorwaarden heeft overtreden. Het afwijzen van de vordering tot tenuitvoerlegging zou geen recht doen aan de ernst van de feiten.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is zijn gegrond op de artikelen:
- 14a, 14b, 14c, 45, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
Dagvaarding I
poging tot diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden;
Dagvaarding II
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid;
Dagvaarding III
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
12 (TWAALF) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
4 (VIER) MAANDEN, niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- gedurende de maanden van de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [medeverdachte] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken bij de SVG Reclassering Fivoor op het adres Johanna Westerdijkplein 40 in Den Haag, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd op doordeweekse dagen met dagbesteding 12 uur, op
doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling 22 uur en op dagen in het weekend 20 uur aanwezig is op de navolgende locatie: [adres 1] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze bijzondere voorwaarden. De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt al dan niet tijdelijk verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. De veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;
- dat de veroordeelde voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering;
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Ambulant Centrum Fivoor of een
soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op copingvaardigheden, emotieregulatie, psychische problematiek, diagnostiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor
detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, en zich houdt aan de huisregels en het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- meewerkt aan begeleiding vanuit de Materieel Juridische Dienstverlening van Fivoor inzake het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
geeft opdracht aan SVG Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van benadeelde [aangever 2] toe tot een bedrag van € 543,01 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, te betalen aan [aangever 2] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 543,01, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan benadeelde [aangever 2] de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan benadeelde [aangever 2] in zoverre doet vervallen;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer van rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 12 september 2025, gewezen onder parketnummer 05/213711-25, te weten
een gevangenisstraf voor de duur van 108 (HONDERDACHT) DAGEN.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.M. de Groes, voorzitter,
mr. V.J. de Haan, rechter,
mr. J.E. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. B.J. Stil, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 mei 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met parketnummers 09/022922-26 (hierna: dagvaarding I), 09/027048-26 (hierna: dagvaarding II) en 05/347668-25 (hierna: dagvaarding III).
Dagvaarding Ihij op of omstreeks 20 januari 2026 te Sassenheim, gemeente Teylingen, tezamen en
in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door
verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een of meer goederen
van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan (de
moeder van) [aangever 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of
zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het
zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf
te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun
bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, terwijl de
uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Dagvaarding IIhij op of omstreeks 9 november 2025 te 's-Gravenhage
drie, althans één of meer (zilveren) ketting(en) en/of een (gouden) oorbel,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in
elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om
het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of
dat/die weg te nemen kettig(en) en/of oorbel onder zijn bereik heeft gebracht door
middel van braak en/of verbreking;
Dagvaarding IIIhij op of omstreeks 20 december 2025 te Wageningen, althans in Nederland,
in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten op of
aan de [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de
wil van de rechthebbende(n) bevond,
- een of meer sieradendozen en/of armbanden en/of oorbellen, althans een of meer
soorten dozen en/of sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan
[aangever 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) en/of
- een of meer oorbellen en/of armbanden en/of kettingen en/of spelden en/of
ringen, althans een of meer soorten sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel
of ten dele aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n),
heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft
en/of dat/die weg te nemen sieraden en/of goederen onder zijn bereik heeft
gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;