ECLI:NL:RBDHA:2026:12574

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL25.56427
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 lid 6 sub c Vw 2000Paragraaf C2/3.2.6 Vc 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Somalische vreemdeling wegens ongeloofwaardige bedreigingen Al-Shabaab en onvoldoende vrees vervolging

Eiser, een Somalische nationaliteit dragende persoon behorend tot de Faqi bevolkingsgroep, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat hij bedreigd werd door Al-Shabaab en discriminatie ondervond vanwege zijn minderheidsclan, wat hem een gegronde vrees voor vervolging zou geven.

De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat de verklaringen over de problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig waren en de discriminatie niet zwaarwegend genoeg om als vervolging te kwalificeren. De rechtbank toetste deze afwijzing en concludeerde dat de minister terecht oordeelde dat de bedreigingen niet aannemelijk waren vanwege onvoldoende concrete en samenhangende verklaringen.

Ook de discriminatie wegens het behoren tot een minderheidsclan werd niet als voldoende ernstig beoordeeld om te spreken van vervolging, mede omdat eiser toegang had tot medische zorg, onderwijs en een eigen onderneming. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het terugkeerbesluit.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit wegens ongeloofwaardige bedreigingen en onvoldoende vrees voor vervolging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56427

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.C.J. Letmaath),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: R.S. Helmus).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat de problemen van eiser met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn. Verder stelt de minister terecht dat onvoldoende uit de verklaringen van eiser die wel geloofwaardig zijn blijkt dat hij verdragsvluchteling is dan wel een gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege het behoren tot een minderheidsclan. Daarom kon de minister een terugkeerbesluit opleggen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 31 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van
13 november 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en behoort tot de Faqi bevolkingsgroep. Al-Shabaab heeft eiser in 2023 benaderd om voor hen te spioneren. Eiser moest zich een aantal dagen later melden bij Al-Shabaab. Dit heeft eiser niet gedaan. Na een week werd eisers huis aangevallen door Al-Shabaab. Hierna is eiser nog een aantal dagen in Somalië gebleven. Eiser vluchtte het huis uit en verliet Somalië. Verder heeft eiser te maken gehad met discriminatie wegens zijn huidskleur en het behoren tot een minderheidsclan. Somalische soldaten pakken spullen uit eisers winkel zonder te betalen en hij wordt uitgescholden. In 2021 is eiser ontvoerd door de soldaten van de overheid. Na het betalen van losgeld is eiser vrijgelaten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen met Al-Shabaab;
3. discriminatie wegens afkomst.
4.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn, evenals de discriminatie vanwege eisers afkomst. De problemen met Al-Shabaab zijn niet geloofwaardig geacht door de minister, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister stelt dat de geloofwaardig geachte motieven niet leiden tot gegronde vrees voor vervolging dan wel ernstige schade. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
Heeft de minister de problemen van eiser met Al-Shabaab ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
5. Eiser voert aan dat de minister de problemen met Al-Shabaab ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Nu de minister in het besluit erkent dat Al-Shabaab wel de macht heeft in Mogadishu, dienen eisers problemen met Al-Shabaab alsnog geloofwaardig te worden geacht. Eiser heeft voldoende verklaard over de korte ontmoeting met Al-Shabaab. Dat eiser niet weet wat voor een type pistool deze jongens lieten zien, doet niet af aan zijn verklaringen. Eiser heeft aangegeven dat hij niet weet hoe Al-Shabaab kan weten waar hij was. Wel heeft hij verklaard dat hij vermoedt dat Al-Shabaab hem heeft gevolgd en dat hij elke dag een vast patroon had door vanuit zijn winkel bestellingen te bezorgen bij klanten. Eiser kan niet spreken over de denkwereld van Al-Shabaab. Dat mag de minister ook niet van hem verwachten. Eiser heeft ook verklaard dat hij niet weet hoe Al-Shabaab aan zijn telefoonnummer is gekomen, maar geeft wel een mogelijke verklaring. Ondanks de bedreigingen heeft eiser zijn winkel voortgezet, omdat hij een inkomen nodig heeft. De tegenwerping dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het contact met zijn moeder klopt niet. Eiser heeft zich namelijk tijdens het gehoor en opnieuw in de correcties en aanvullingen gecorrigeerd.
5.1.
Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over de problemen met Al-Shabaab niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000, inhoudende dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
5.2.
De rechtbank zal hieronder het standpunt van de minister over de ongeloofwaardigheid van eisers verklaringen over zijn problemen met Al-Shabaab toetsen. De rechtbank zal dat beoordelen aan de hand van wat eiser daartegen heeft aangevoerd.
5.3.
In de besluitvorming stelt de minister dat Al-Shabaab de macht heeft in Mogadishu en zich daar vrijelijk kan bewegen [1] .De rechtbank is het met de minister eens dat dit niet maakt dat de problemen met Al-Shabaab geloofwaardig zijn. Daarbij heeft de minister van belang mogen achten dat eiser summier en onvoldoende concreet heeft verklaard over de inhoud van het gestelde gesprek met de personen van Al-Shabaab die hem benaderden. Dat sprake was van een kort gesprek, ontslaat eiser niet van de verplichting om daarover inzichtelijk te verklaren. Voorts blijft het onduidelijk hoe Al-Shabaab wist dat eiser specifiek op die plek was. Dat Al-Shabaab eiser heeft gevolgd op zijn vaste route en daarom wist waar hij was, wordt niet ten onrechte niet gevolgd door de minister. Dit is namelijk voor het eerst in de zienswijze naar voren gebracht en niet tijdens (de correcties en aanvullingen op) het nader gehoor. Tijdens het gehoor heeft eiser nog verklaard niet te weten hoe Al-Shabaab wist waar hij was. Onduidelijk is waarom eiser niet eerder heeft verklaard dat hij vermoedt dat Al-Shabaab hem heeft gevolgd op zijn vaste route. Daar komt bij dat Al-Shabaab eiser dan langer moet hebben gevolgd om zijn vaste route te kennen, terwijl zij ook weten dat hij een winkel heeft en zij hem daar ook kunnen treffen. De rechtbank is wel van oordeel dat de minister zijn standpunt dat eiser te weinig heeft verklaard over het voorkomen van de jongens niet deugdelijk heeft gemotiveerd.
Eiser heeft namelijk verklaard dat de jongens eruit zagen als normale jongens en een van hen een goed geschoren achterhoofd had. Dat eiser niet kan verklaren over wat voor soort pistool de jongens bij zich hadden, acht de rechtbank niet van belang bij de beoordeling. De rechtbank is voorts van oordeel dat de minister niet ten onrechte stelt dat het onduidelijk is hoe Al-Shabaab aan zijn nummer wist te komen. Dat eisers nummer bekend is doordat het in en aan de buitenkant van zijn winkel staat vermeld, wordt niet ten onrechte niet gevolgd door de minister, omdat dit voor het eerst in de zienswijze naar voren is gekomen. In het nader gehoor heeft eiser namelijk verklaard dat hij niet weet hoe Al-Shabaab aan zijn nummer is gekomen. Dit is ook niet in de correcties en aanvullingen vermeld. Onduidelijk is waarom eiser niet eerder heeft verklaard dat zijn telefoonnummer zowel in zijn winkel als daarbuiten staat genoteerd. Verder stelt de minister niet ten onrechte dat niet wordt ingezien dat eiser zijn werkzaamheden voortzette, terwijl hij bang was voor Al-Shabaab en daarom ook niet naar hen is gegaan. Eiser heeft in deze periode na de aanvaring met de mannen van Al-Shabaab ook geen voorzorgsmaatregelen genomen. Het valt moeilijk in te zien dat Al-Shabaab eiser heeft benaderd, gebeld, bedreigd met de dood, en dat hij daarna zijn leven heeft voortzet zonder aanpassingen. Zeker omdat Al-Shabaab eiser al eerder heeft gevonden en bedreigd met de dood. De minister stelt voorts terecht dat eiser wisselend heeft verklaard over het contact met zijn moeder. Tijdens het gehoor verklaart eiser dat hij geen contact had met anderen in Somalië en dat hij geen contact kreeg met iemand, ook niet met zijn moeder. In de correcties en aanvullingen stelt eiser dat hij wel telefonisch contact had met zijn moeder. Dat eiser dacht dat de vraag over overige familie ging wordt niet gevolgd, aangezien hij in eerste instantie details geeft over waarom hij geen contact had met zijn moeder.
5.4
Gelet op voorgaande concludeert de rechtbank dat de minister terecht heeft gesteld dat eisers problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn. Dat de rechtbank twee tegenwerpingen van de minister met betrekking tot het uiterlijk van de jongens en het pistool niet volgt, maakt dit niet anders.
Heeft de minister onterecht eiser geen vrees voor vervolging aangenomen?
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen vrees voor vervolging heeft aangenomen in verband met de discriminatie wegens zijn afkomst. De dagelijkse diefstallen uit zijn winkel, de ontvoering van eiser en de discriminatie bij ziekenhuisbezoeken zijn wel degelijk daden van vervolging. Uit algemene landeninformatie volgt dat leden van minderheidsgroepen een verhoogd risico lopen om slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen en ontvoering. [2] Eiser wordt vanwege de discriminatie ernstig beperkt in zijn bestaansmogelijkheden zodat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. [3] Gelet op de ondervonden discriminatoire situaties had de minister eiser moeten aanmerken als vluchteling. Eiser doet een op het arrest AH en FN [4] en stelt dat de minister de eerdergenoemde daden wellicht niet op zichzelf, maar in zijn geheel had moeten beschouwen als daad van vervolging
6.1.
Uit paragraaf C2/3.2.6 van de Vc 2000 volgt dat de IND discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aanmerkt als daad van vervolging, als hij vanwege deze discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. De minister moet daartoe beoordelen of de discriminatie door de autoriteiten én door medeburgers/familieleden in onderlinge samenhang bezien ertoe leiden dat eiser zo ernstig in zijn bestaansmogelijkheden wordt beperkt dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat onvoldoende uit de verklaringen van eiser blijkt dat de ondervonden discriminatie zwaarwegend genoeg is om hem als verdragsvluchteling aan te merken. De minister volgt eiser dat hij tot een minderheidsclan behoort in Somalië en dat hij daardoor discriminatie ondervindt. Eisers hoofdstam is Reer Hamar, zijn stam is Benadiri en substam is Reer Faqi. Uit eisers verklaringen volgt echter niet dat er sprake is van zodanige discriminatie dat gesproken kan worden van een daad van vervolging zoals bedoeld in paragraaf C2/3.2.6 van de Vc 2000. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij toegang had tot medische zorg, dat hij op een privéschool heeft gezeten en dat hij in Somalië een eigen onderneming had. Eiser is dus niet beperkt in zijn bestaansmogelijkheden. Naar het oordeel van de rechtbank is ook niet aannemelijk gemaakt dat hij nogmaals ontvoerd zal worden bij terugkeer naar Somalië. Eiser heeft verklaard dat hij is ontvoerd in 2021 omdat hij behoort tot een minderheidsclan en dit iedereen van die clan kan overkomen. Eiser heeft echter daarna niets meer gehoord van de politie die hem vasthield in 2021 en heeft geen problemen meer ondervonden van hen. Verder blijkt uit het ambtsbericht dat er sinds juli 2023 geen significante veranderingen zijn gerapporteerd in de veiligheidspositie van de Reer Hamar en dat de positie van de clan relatief sterker is dan die van andere groepen. [5] Dat eiser bij terugkeer nogmaals slachtoffer zal worden van gericht geweld is hiermee niet aannemelijk geworden.
6.3.
Ook het beroep op het arrest AH en FN slaagt niet. In het arrest heeft het Hof geoordeeld dat sommige discriminatoire maatregelen op zichzelf niet ernstig genoeg kunnen zijn om als vervolging aangemerkt te kunnen worden, maar dat deze maatregelen in samenhang met elkaar wel gezien kunnen worden als vervolging. In dit arrest noemt het Hof Afghaanse vrouwen, die vanwege een samenspel van discriminatoire maatregelen van het Taliban-regime in aanmerking komen voor het vluchtelingschap. Dit is een wezenlijk andere situatie als in onderhavige zaak het geval is. Zoals de minister op de zitting terecht stelt had eiser toegang tot medische zorg, heeft hij op een privéschool gezeten en heeft hij in Somalië een eigen onderneming gehad. Hieruit blijkt voldoende dat eiser niet zodanig is geschaad in zijn bestaanszekerheid, zodat de hoge lat van zwaarwegende discriminatie niet wordt gehaald.
Mocht de minister eiser een terugkeerbesluit opleggen?
7. Eiser voert aan dat het opgelegde terugkeerbesluit geen stand kan houden. De minister heeft het besluit namelijk niet voldoende zorgvuldig gemotiveerd, aangezien eiser wel degelijk heeft te vrezen voor vervolging bij terugkeer.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Aangezien de minister niet ten onrechte eisers problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig heeft geacht en terecht heeft gesteld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft, mocht de minister eiser een terugkeerbesluit opleggen.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en de afwijzing van zijn aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr.N. El-Amrani, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiser verwees hierbij naar de brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 10 november 2025.
2.Algemeen Ambtsbericht Somalië van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van april 2025, pagina 92.
3.Paragraaf C2/3.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
4.Arrest AH en FN tegen Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:828.
5.Algemeen Ambtsbericht Somalië van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van april 2025, pagina 93.