Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12587

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
09/030170-26
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het voorhanden hebben van twee vuurwapens met munitie

De rechtbank Den Haag heeft op 20 mei 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die op 29 januari 2026 te 's-Gravenhage twee vuurwapens en bijbehorende munitie van categorie III in bezit had. De wapens werden aangetroffen in de woning van zijn moeder na een anonieme melding bij de politie.

De verdachte gaf aan de wapens te hebben aangeschaft vanwege anonieme bedreigingen om zijn gevoel van veiligheid te vergroten. De rechtbank achtte het bezit van de wapens en munitie onacceptabel en gevaarlijk, mede omdat de wapens onzorgvuldig waren opgeborgen in een woning waar ook kinderen kwamen. De verdachte had geen eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 163 dagen op, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en gedragsinterventie. Daarnaast werd een taakstraf van 100 uur opgelegd. De voorlopige hechtenis werd opgeheven omdat deze gelijk was aan het onvoorwaardelijke deel van de straf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 163 dagen gevangenisstraf, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, en 100 uur taakstraf voor het bezit van twee vuurwapens en munitie.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/030170-26
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres] te [woonplaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 6 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.A.Kuipers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. J. Verstegen naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 29 januari 2026 te 's-Gravenhage
een of meer wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten
- een pistool, van het merk Glock, type ZEV, kaliber 9 x 19 mm
- een pistool, van het merk Zastava, type M57, kaliber 7.62 x 25 mm (Tokarev)
zijnde (een) vuurwapens in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
voorhanden heeft gehad;
2
hij op of omstreeks 29 januari 2026 te 's-Gravenhage munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten:
- 7 en/of meer stuks, volmantel van het kaliber 7.62 x 25 mm (Tokarev) en/of
- een of meer stuks, volmantel van het kaliber 9 x 19 mm
voorhanden heeft gehad.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026032245, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 82).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 29 januari 2026 (p. 19-26);
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 29 januari 2026 (p. 33);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 januari 2026 (p. 71);
4. Het proces-verbaal Team Forensische Opsporing, Wapens, Munitie en Explosieven, opgemaakt op 29 januari 2026 (p. 54-58); en
5. Het proces-verbaal Team Forensische Opsporing, Wapens, Munitie en Explosieven, opgemaakt op 29 januari 2026 (p. 59-62).
3.2.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 29 januari 2026 te 's-Gravenhage
wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten
- een pistool, van het merk Glock, type ZEV, kaliber 9 x 19 mm
, en
- een pistool, van het merk Zastava, type M57, kaliber 7.62 x 25 mm (Tokarev)
zijnde vuurwapens in de vorm van een pistool
voorhanden heeft gehad;
2
hij op 29 januari 2026 te 's-Gravenhage munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten:
- 7 stuks, volmantel van het kaliber 7.62 x 25 mm (Tokarev) en
-
meerderestuks, volmantel van het kaliber 9 x 19 mm
voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 223 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en hieraan de bijzondere voorwaarden te verbinden die door de reclassering zijn geadviseerd. Ook heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar een (grotendeels) voorwaardelijke straf op te leggen met, indien nodig, de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Dit alles gelet op de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan, de persoonlijke omstandigheden en de proceshouding van de verdachte.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft via Telegram twee vuurwapens met bijbehorende munitie gekocht. Dit was naar aanleiding van ontvangen anonieme bedreigingen. Na een (anonieme) melding bij de politie werden de vuurwapens en munitie in het huis van zijn moeder (onder een matras en op zolder) aangetroffen. De verdachte heeft de vuurwapens met munitie aangeschaft om – naar eigen zeggen – zijn gevoel van veiligheid te vergroten. De rechtbank rekent het de verdachte aan zijn toevlucht te hebben gezocht tot illegaal wapenbezit. Daarbij is in het bijzonder van belang dat de verdachte zelf geen enkele kennis heeft van vuurwapens en hij de wapens bovendien op onzorgvuldige wijze heeft opgeborgen in een woning waar ook zijn kinderen met regelmaat kwamen. Illegaal vuurwapenbezit vormt een onacceptabel gevaar voor de samenleving en maakt onder meer dat ruzies of conflicten op disproportionele wijze uit de hand kunnen lopen met grote gevolgen voor de veiligheid van personen. In het geval van verdachte kan niet worden uitgesloten dat de verdachte de vuurwapens in de door hem genoemde (be)dreigende situaties zou gebruiken, daarvoor had hij de wapens immers gekocht. Bovendien zijn de vuurwapens en munitie via twijfelachtige contacten van verdachte aangeschaft.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 29 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 30 april 2026, waaruit volgt dat sprake is van een laag-gemiddeld recidiverisico. De reclassering ziet risicofactoren in denkpatronen, het gedrag en de vaardigheden van verdachte. Het feit dat verdachte ervoor heeft gekozen vuurwapens en munitie aan te schaffen in reactie op bedreigingen, en het feit dat verdachte daarvoor de contacten had, acht de reclassering zorgelijk. Beschermende factoren worden gezien in de zelfstandige huisvesting waarover verdachte beschikt, de baan van verdachte en het regelmatig contact van verdachte met zijn kinderen. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden.
Straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, een gevangenisstraf van 163 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank zal daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. De rechtbank acht daarnaast een taakstraf van 100 uren passend en geboden.
De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Voorlopige hechtenis
Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte gelijk is aan het voorarrest, zal de rechtbank de voorlopige hechtenis opheffen.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
163 (honderddrieënzestig) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
120 (honderdtwintig) DAGEN,
niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd deelneemt aan een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden verzorgd door de reclassering of een soortgelijke instelling, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens deze instelling aan hem worden gegeven;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van
100 (honderd) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
50 (vijftig) DAGEN;
de voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. N. Hengeveld, voorzitter,
mr. M. Rootring, rechter,
mr. I. Jadib, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. B.J. Stil, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 mei 2026.