Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12591

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL26.12621
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Letland

Eiser diende op 25 oktober 2025 een asielaanvraag in, die de minister op 3 maart 2026 niet in behandeling nam omdat Letland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eiser stelde dat het Dublingehoor onvoldoende zorgvuldig was, dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mocht worden vanwege zorgen over de asielprocedure in Letland, en dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening van toepassing was vanwege zijn persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank oordeelde dat het gehoor zorgvuldig was afgenomen, ondanks de korte duur van dertig minuten, en dat eiser voldoende gelegenheid had gehad zijn bezwaren te uiten. De minister mocht terecht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van systematische tekortkomingen in Letland die zijn situatie zouden beïnvloeden.

Ook stelde de rechtbank vast dat eiser niet had onderbouwd dat bijzondere omstandigheden volgens artikel 17 van Pro de Dublinverordening een uitzondering rechtvaardigen. De medische klachten, discriminatie en familiebanden in Nederland waren onvoldoende concreet en onderbouwd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Letland wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12621

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. C. Huy),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat Letland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat Letland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De minister mag voor Letland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en daarnaast heeft eiser onvoldoende onderbouwd waarom de minister artikel 17 van Pro de Dublinverordening had moeten toepassen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 25 oktober 2025 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Letland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Letland een verzoek om overname gedaan. Letland heeft dit verzoek aanvaard.
Is het Dublingehoor voldoende zorgvuldig afgenomen?
4. Eiser betoogt dat het gehoor onvoldoende zorgvuldig is afgenomen. Het gehoor heeft namelijk maar dertig minuten geduurd, wat volgens hem onvoldoende is om de relevante feiten en omstandigheden zorgvuldig vast te stellen. Eiser voert aan dat hij tijdens het gehoor heeft verklaard dat hij in Letland discriminatie heeft ondervonden, geen toegang had tot de medische zorg en dat zijn broer in Nederland verblijft. Volgens eiser heeft de minister nagelaten op deze punten door te vragen. Eiser voert aan dat dit in strijd is met artikel 5 van Pro de Dublinverordening, waarin staat dat alle informatie moet worden verkregen die van belang kan zijn voor de overdracht.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht stelt dat het gehoor voldoende zorgvuldig is afgenomen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser tijdens het gehoor in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaren tegen overdracht aan Letland en de door hem gestelde problemen naar voren te brengen. Het enkele feit dat het gehoor dertig minuten heeft geduurd, maakt niet dat het gehoor onzorgvuldig is geweest. Niet is gebleken dat eiser onvoldoende gelegenheid heeft gehad om relevante feiten en omstandigheden naar voren te brengen. Dat de minister naar aanleiding van zijn verklaringen over de discriminatie en medische zorg in Letland niet verder heeft doorgevraagd, leidt gelet op het voorgaande niet tot een ander oordeel. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat eiser zijn verklaringen over wat hem in Letland is overkomen op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Bovendien heeft eiser correcties en aanvullingen op het gehoor kunnen indienen, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Mag de minister voor Letland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat de minister voor Letland niet uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens eiser volgt uit verschillende (internationale) bronnen dat er concrete aanwijzingen zijn dat de toegang tot de asielprocedure en de behandeling van migranten aan de buitengrens onder druk staan. [2] Verder wijst eiser op een lopende procedure bij het EHRM waarin de grenspraktijken van Letland onderwerp zijn en op verschillende bronnen waarin door internationale organisaties zorgen worden geuit over de toegang tot de asielprocedure in Letland. [3] Volgens eiser kan de minister niet volstaan met een algemene verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser voert aan dat de minister heeft nagelaten de actuele landeninformatie en de individuele verklaringen van eiser, namelijk de discriminatie in Letland, de slechte (opvang)omstandigheden en het gebrek aan medische zorg, in onderlinge samenhang te beoordelen.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat ten aanzien van Letland mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [4] Eiser heeft met de overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen als gevolg waarvan niet langer mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De algemene verwijzingen naar de openbare bronnen zijn daarvoor onvoldoende, mede nu eiser op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat deze bronnen betrekking hebben op zijn persoonlijke situatie. Verder stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser zich bij eventuele problemen kan wenden tot de Letse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen toegang heeft tot die autoriteiten of dat het vragen van bescherming zinloos is. Dat bij het EHRM een procedure aanhangig is over de grenspraktijken van Letland, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het enkele bestaan van een lopende procedure volgt nog niet dat Letland zijn internationale verplichtingen niet nakomt.
Had de minister op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening het asielverzoek van eiser in behandeling moeten nemen?
6. Eiser betoogt dat de minister de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich moet trekken. Hij voert aan dat hij medische en psychische klachten heeft en dat hij in Letland geen toegang had tot de medische zorg. Daarnaast voert hij aan discriminatie te hebben ervaren in Letland en dat zijn broer in Nederland verblijft.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Letland zou leiden tot onevenredige hardheid. De minister heeft zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser daar niet in is geslaagd. Het bestaan van medische en psychische klachten is op zichzelf onvoldoende om te spreken van bijzondere omstandigheden. De minister mag bovendien, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ervan uitgaan dat eiser in Letland toegang krijgt tot vergelijkbare medische zorg. Eiser heeft zijn stelling dat hij daar geen toegang toe had niet onderbouwd. Ook volgt uit het overgelegde medische dossier niet dat eiser afhankelijk is van een specialistische behandeling die uitsluitend in Nederland beschikbaar is. Eiser heeft verder de gestelde discriminatie niet met concrete stukken onderbouwd en niet is gebleken dat de Letse autoriteiten hem geen bescherming kunnen of willen bieden. Over de aanwezigheid van de broer van eiser in Nederland heeft de minister terecht gesteld dat dit, ook in combinatie met de overgelegde geldtransacties, op zichzelf onvoldoende is voor toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.EUAA Asylum Rapport 2025, p. 122.
3.Eiser wijst op de bij het EHRM aanhangige Grand Chamber- zaak
4.ABRvS 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4732.