Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12629

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
AWB 26/6640
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening verblijf en arbeid tijdens bezwaarprocedure GVVA

Verzoeker heeft op 9 februari 2026 een aanvraag ingediend voor verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA). De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 18 maart 2026 afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij gedurende de bezwaarprocedure in Nederland mag verblijven en werken.

De minister heeft bij brief van 8 mei 2026 aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zag geen beletselen tegen toewijzing en besloot het verzoek toe te wijzen zonder zitting. De voorlopige voorziening geldt zolang het bezwaar niet is ingetrokken of beëindigd.

Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, verzoeker mag tijdens bezwaarprocedure in Nederland verblijven en werken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/6640

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. J.M. Lammers),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

1. Verzoeker heeft op 9 februari 2026 een aanvraag ingediend tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA). Bij besluit van 18 maart 2026 heeft de minister de aanvraag van verzoeker afgewezen.
1.1.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat de minister verzoeker gedurende de bezwaarprocedure behandelt alsof hij in het bezit is van de gevraagde vergunning, wat betekent dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure in Nederland mag verblijven en mag blijven werken voor zijn werkgever.
1.2.
Bij brief van 8 mei 2026 heeft de minister aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.
1.3.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting [1] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Nu de minister heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet die zich tegen toewijzing van dit verzoek verzetten, zal de voorzieningenrechter dit verzoek toewijzen. Indien het bezwaar wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en bepaalt dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure in Nederland mag verblijven en mag blijven werken voor zijn werkgever.
4.1.
Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet de minister het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • bepaalt dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure in Nederland mag verblijven;
  • bepaalt dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure mag blijven werken voor zijn werkgever;
  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van €200 aan verzoeker te vergoeden;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.