Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12678

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
AWB 25 / 3669
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 7:12 AwbArt. 32 Visumcode (Verordening (EG) nr. 810/2009)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing visumkort verblijf en schending hoorplicht

Eiseres, een Marokkaanse staatsburger, verzocht op 4 juli 2024 om een visum voor kort verblijf om haar echtgenoot in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens onvoldoende aantoonbare sociale en economische binding met Marokko, waardoor vestigingsgevaar werd vermoed. Het bezwaar van eiseres werd op 22 januari 2025 kennelijk ongegrond verklaard zonder haar te horen.

De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte heeft afgezien van de hoorplicht, terwijl eiseres expliciet om een hoorzitting had verzocht en aanvullende toelichting wilde geven op haar binding met Marokko. De rechtbank benadrukt dat in visumzaken het gedrag van de aanvrager centraal staat en dat een hoorzitting essentieel is om vestigingsgevaar te kunnen weerleggen.

Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en wordt de minister opgedragen binnen acht weken een nieuwe beslissing te nemen, waarbij eiseres eerst wordt gehoord. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht en het besluit wordt vernietigd met opdracht tot een nieuwe beslissing na hoorzitting.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/3669
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. A.J. El Kadi),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, de minister

(gemachtigde: mr. M.T.M. Hoppema).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een visum voor kort verblijf.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Ook is verschenen de referent van eiseres [referent].

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.1.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is er aan de procedure voorafgegaan?
3.1.
Eiseres is geboren op [geboortedag] 1983 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij verblijft momenteel in Marokko. Op 4 juli 2024 heeft eiseres verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf om haar echtgenoot (referent) in Nederland te bezoeken. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 29 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 januari 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.
3.2.
De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de sociale en economische binding met het land van herkomst onvoldoende zijn aangetoond dan wel gering zijn gebleken, waardoor er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van het visum te verlaten. In het verlengde hiervan stelt de minister zich op het standpunt dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond.
3.3.
De minister stelt dat eiseres in de bezwaarprocedure geen aanvullende documenten heeft overgelegd met betrekking tot haar economische en sociale binding met Marokko. Volgens de minister is het meteen duidelijk dat het bezwaar van eiseres niet kan leiden tot een andere uitkomst dan die van het primaire besluit. De minister heeft daarom op grond van artikel 7:3, onder b van de Awb [1] afgezien van het horen als bedoeld in artikel 7:2 van Pro de Awb.
Toetsingskader visum kort verblijf
4. Een visumaanvraag voor kort verblijf wordt onder andere afgewezen als de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond, niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken of indien redelijke twijfel bestaat over zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum (oftewel vestigingsgevaar). [2] Bij de beoordeling hiervan heeft de minister een ruime beoordelingsmarge. [3]
4.1.
Voor de beoordeling van het vestigingsgevaar betrekt de minister de sociale en de economische binding van de aanvrager met het land van herkomst. Daarbij betrekt de minister welke omstandigheden in het voordeel en welke in het nadeel van de aanvrager uitvallen. Op basis daarvan komt de minister tot een conclusie over de vraag of redelijke twijfel bestaat over tijdige terugkeer naar het land van herkomst. De rechter kan dit oordeel van de minister slechts terughoudend toetsen.
Mocht de minister afzien van het horen?
5.1.
Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan een belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord, voordat op het bezwaar wordt beslist. De Afdeling [4] heeft overwogen dat, met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb slechts van het horen mag worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel voor mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.
5.2.
Eiseres heeft in de bezwaarfase de vragenlijst tijdig teruggestuurd en expliciet verzocht om te worden gehoord. Op basis van de door eiseres aangeleverde informatie kan de rechtbank op zichzelf het standpunt van de minister volgen dat eiseres haar sociale en economische binding met Marokko nader had kunnen onderbouwen of toelichten. Ook is het eiseres mogelijk aan te rekenen dat zij (nog) geen aanvullende bewijsstukken heeft overgelegd.
5.3.
Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres hierover verklaard dat eiseres tijdens de hoorzitting een nadere toelichting had willen geven op de sociale en economische binding. Daarbij had eiseres willen bespreken welke aanvullende bewijzen zij verder nog had kunnen overleggen, zoals verklaringen van de onderwijsinstelling van haar twee zonen en verklaringen van mensen voor wie zij betaald werk verricht. Verder heeft referent toegelicht voornemens te zijn zich na zijn pensionering volgend jaar bij eiseres in Marokko te vestigen, hetgeen hij eveneens tijdens een hoorzitting nader had willen toelichten. Ten slotte heeft de gemachtigde van eiseres verklaard dat eiseres bereid is te garanderen dat zij Nederland binnen de toegestane vertrektermijn zal verlaten, onder meer door middel van het betalen van een waarborgsom. De gemachtigde van eiseres heeft herhaaldelijk benadrukt dat eiseres er te allen tijde van uitging dat er nog een hoorzitting zou komen en dat zij zodoende nog in de gelegenheid zou worden gesteld haar aanvraag nader toe te lichten. Die gelegenheid is haar nu ontnomen.
5.4
De rechtbank overweegt dat in een dergelijke situatie waarin een bezwaarmaker in de bezwaarfase stukken heeft overgelegd en die niet goed weet of en waarom de aangeleverde informatie te weinig zou zijn, de minister diegene in het kader van zorgvuldigheid door middel van een hoorzitting in de gelegenheid dient te stellen om te worden gehoord. De rechtbank overweegt dat het in visumzaken gaat om gedrag, namelijk of eiseres tijdig terugkeert naar Marokko. Omdat het om gedrag gaat weet je het nooit helemaal precies zeker. Hierbij gaat het om een vermoeden van vestigingsgevaar. Een hoorzitting biedt voor eiseres bij uitstek de mogelijkheid om de minister te overtuigen dat hiervan geen sprake is. Doordat de minister heeft afgezien van het horen in de bezwaarfase heeft eiseres deze kans niet gekregen.
5.5.
De minister had het bezwaar dan ook niet kennelijk-ongegrond mogen verklaren. De minister had juist door middel van een hoorzitting nadere duidelijkheid kunnen verkrijgen. Door dit niet te doen heeft eiseres geen eerlijke kans gekregen om de minister te overtuigen dat er geen sprake is van vestigingsgevaar.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt.
6.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikelen 7:2, 7:3 en 7:12 van de Awb. De minister heeft de hoorplicht geschonden en het besluit daardoor niet goed gemotiveerd.
6.2.
Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. De minister moet alvorens een nieuw besluit te nemen, eiseres eerst in de gelegenheid stellen om tijdens een hoorzitting gehoord te worden. De rechtbank stelt daarom een termijn van acht weken om opnieuw op het bezwaar te beslissen.
6.3.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de minister aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 194,- vergoed.
6.4.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per procesbehandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 22 januari 2025;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van E.V.V.C. Raap, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Dit staat in artikel 32, eerste lid, onder a, onderdeel ii, iii en onder b, van de Visumcode (Verordening (EG) nr. 810/2009).
3.Dit volgt uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862.
4.Afdeling bestuursrecht Raad van State.