Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12704

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
NL26.21412
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen overdracht naar Spanje op grond van Dublin-verordening

Verzoeker heeft een aanvraag tot verblijfsvergunning asiel ingediend die door de minister niet in behandeling is genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublin-verordening. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om de overdracht naar Spanje uit te stellen.

De voorzieningenrechter overwoog dat de minister de overdracht op 21 mei 2026 gepland had, maar dat deze overdracht vrijwillig zou zijn en verzoeker niet gedwongen zou worden. Er was geen sprake van een spoedeisend belang omdat verzoeker zelf kon beslissen om niet mee te werken aan de overdracht. De behandeling van het beroep stond gepland op 9 juni 2026.

Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak is voorlopig van aard en bindt de rechtbank niet in het bodemgeding. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening om de overdracht naar Spanje uit te stellen wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21412

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: Ch.R. Vink).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft de behandeling van beide zaken op zitting gepland op 9 juni 2026.
De minister heeft verzoeker op 12 mei 2026 kenbaar gemaakt dat hij op 21 mei 2026 om 13:50 uur zal worden overgedragen aan Spanje.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om zo snel mogelijk uitspraak te doen op het verzoek om een voorlopige voorziening.
De minister heeft op 20 mei 2026 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen reeds zijn uitgenodigd voor de behandeling van het beroep op 9 juni 2026. Zij ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak te doen omdat de minister verzoeker op 21 mei 2026 om 13:50 uur wil overdragen. Partijen worden verder niet in hun belangen geschaad omdat verzoeker de gronden van het verzoek naar voren heeft gebracht en de minister daarop heeft gereageerd. De voorzieningenrechter sluit daarom het onderzoek.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
3. Verzoeker wil met dit verzoek bereiken dat de geplande overdracht naar Spanje achterwege blijft totdat op het beroepschrift is beslist, zodat verzoeker de behandeling van het beroepschrift in Nederland kan afwachten.
4. De minister stelt zich primair op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat verzoeker niet gedwongen wordt overgedragen. Als verzoeker ervoor kiest om op 21 mei 2026 niet in de taxi te stappen, is er geen sterke arm die hem op dat moment alsnog zal dwingen te vertrekken. Subsidiair stelt de minister dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. In het beroepsschrift herhaalt verzoeker grotendeels zijn gronden uit zijn zienswijze waarop de minister in het besluit uitvoerig is ingegaan.
5. De voorzieningenrechter stelt op basis van het verweerschrift vast dat de minister op dit moment niet voornemens is om verzoeker gedwongen over te dragen. De aangekondigde vluchtgegevens zien uitsluitend op het faciliteren van een vrijwillig vertrek naar Spanje. De minister heeft in het verweerschrift aangegeven dat verzoeker de zelfstandige keuze heeft of hij medewerking zal verlenen aan die overdracht. Om die reden is de voorzieningenrechter van oordeel dat op dit moment dan ook geen sprake is van een spoedeisend belang, zodat het verzoek om en voorlopige voorziening wordt afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Deze uitspraak zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl en is uitgesproken en bekendgemaakt op:
20 mei 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.