ECLI:NL:RBDHA:2026:12762
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielverblijfsvergunningprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister is afgewezen als kennelijk ongegrond op 8 december 2025. Verzoeker stelde beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een gerelateerde zaak op 30 april 2026, waarbij zowel verzoeker als de gemachtigden van beide partijen en een tolk aanwezig waren. Op dezelfde dag als deze uitspraak werd in de hoofdzaak uitspraak gedaan, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.