ECLI:NL:RBDHA:2026:12775

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
NL26.24888
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet

Bij besluit van 3 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie aan eiser een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank Den Haag behandelde het beroep op 13 mei 2026.

Verweerder motiveerde de bewaring met een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico op onderduiken. Eiser voerde aan dat verweerder niet uitdrukkelijk had gevraagd naar toepassing van een lichter middel, dat hij zelfstandig naar Duitsland wilde vertrekken, dat het zijn eerste keer in bewaring was en dat hij stress en slaapproblemen had. Ook noemde hij een oom waar hij zou kunnen verblijven met meldplicht.

De rechtbank stelde vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft bestreden en dat verweerder hem voldoende gelegenheid heeft gegeven om feiten en omstandigheden over een lichter middel naar voren te brengen. De rechtbank oordeelde dat de omstandigheden geen aanleiding geven om een lichter middel toe te passen, mede omdat het onttrekkingsrisico blijft bestaan en eiser niet heeft geconcretiseerd wie zijn oom is of toestemming heeft om daar te verblijven. Ook de stress en slaapproblemen leiden niet tot detentieongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24888

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], alias [alias], [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S. Jankie),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).

Procesverloop

1. Bij besluit van 3 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Khokar. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat op onderduiken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Kort samengevat voert eiser het volgende aan. Verweerder heeft eiser ten onrechte niet uitdrukkelijk gevraagd naar de toepassing van een lichter middel. Bovendien is er aanleiding voor toepassing van een lichter middel. Eiser wil namelijk zelfstandig naar Duitsland vertrekken. Bovendien is dit de eerste keer dat eiser in bewaring is gesteld. Dat levert eiser veel stress op en hij heeft slaapproblemen. Daarnaast heeft hij een oom waar hij zou kunnen verblijven met een meldplicht.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft bestreden. Gelet op artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb zijn vorengenoemde gronden en de daarbij gegeven motivering zijn voldoende om een significant risico op onderduiken aanwezig te achten.
6. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser door verweerder voldoende in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden naar voren te brengen over de toepassing van een lichter middel. Uit het gehoor blijkt dat verweerder heeft gevraagd of er nog medische omstandigheden zijn waarmee rekening moet worden gehouden en of eiser zelf nog vragen heeft. Dat verweerder niet letterlijk de woorden ‘lichter middel’ heeft gebruikt, neemt niet weg dat eiser in de gelegenheid is gesteld om feiten en omstandigheden naar voren te brengen.
7. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om een lichter middel op te leggen. Dat eiser bij zijn oom zou kunnen verblijven, doet aan het onttrekkingsrisico niet af. Eiser heeft niet geconcretiseerd wie zijn oom is en evenmin is gebleken dat eiser toestemming heeft om bij zijn oom te verblijven. De wens van eiser om zelfstandig naar Duitsland te vertrekken, doet evenmin af aan het onttrekkingsrisico. Eiser is eerder met onbekende bestemming vertrokken en heeft zich vrijelijk door Europa bewogen, wat verweerder contra-indicaties mag vinden voor oplegging van een lichter middel.
8. Dat eiser voor de eerste keer in (vreemdelingen)detentie zou verblijven, heeft voor verweerder evenmin aanleiding hoeven zijn om een lichter middel toe te passen. Zo bezien zouden immers alleen vreemdelingen die eerder in detentie hebben verbleven nog in vreemdelingenbewaring kunnen worden gesteld. Verder ziet de rechtbank dat vreemdelingendetentie zwaar kan vallen, met name als het de eerste keer is. Niet is echter gebleken dat eiser voor de stress en slaapproblemen niet bij de medische dienst van het detentiecentrum terechtkan. Van detentieongeschiktheid is daarom niet gebleken.
9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [1] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.