ECLI:NL:RBDHA:2026:12777

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
NL26.24854
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 106 VwArt. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onrechtmatige vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding

Eiser werd op 16 april 2026 na een Dublinoverdracht op Schiphol staande gehouden en vervolgens in detentie geplaatst. Hij stelt dat hij onrechtmatig in verkapte vreemdelingenbewaring is gehouden van 16 april tot 1 mei 2026 en dat de daaropvolgende vreemdelingenbewaring eveneens onrechtmatig was. Tevens voert hij aan verkeerd geïnformeerd te zijn over de duur van zijn detentie.

Verweerder heeft op 1 mei 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en deze op 11 mei 2026 opgeheven, met een aanbod tot schadevergoeding. De rechtbank oordeelt dat de strafdetentie voorafgaand aan de vreemdelingenbewaring niet door de bewaringsrechter beoordeeld kan worden. De rechtbank vindt dat verweerder terecht geen lichter middel heeft gekozen en dat de beperkingen voor eiser niet onevenredig bezwarend zijn.

De rechtbank stelt vast dat eiser zijn asielaanvraag niet op 4 mei 2026, maar op 8 mei 2026 heeft ingetrokken. De maatregel van bewaring is niet eerder onrechtmatig geweest dan de periode van drie dagen dat eiser onrechtmatig is gedetineerd. De rechtbank kent de reeds aangeboden schadevergoeding toe en veroordeelt de Staat tot betaling van proceskosten van €1.868,-.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en kent een schadevergoeding toe wegens drie dagen onrechtmatige vreemdelingenbewaring.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24854

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S. Jankie),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).

Procesverloop

1. Bij besluit van 1 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Verweerder heeft op 11 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven en eiser een schadevergoeding aangeboden.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen F. den Hengst. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser een hogere schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk was met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser voert kort samengevat het volgende aan. Hij is na een Dublinoverdracht op 16 april 2026 in Nederland op Schiphol aangekomen. Daar is hij vreemdelingenrechtelijk staande gehouden en vervolgens kennelijk in strafdetentie geplaatst, zonder dat er in het dossier een titel of recht voor strafdetentie zit. Eiser voert aan dat hij van 16 april 2026 tot 1 mei 2026 dan ook onrechtmatig in het kader van verkapte vreemdelingenbewaring gedetineerd is geweest en dat de daarop gevolgde vreemdelingenbewaring ook van meet af aan onrechtmatig was. Daarnaast is eiser verteld dat hij tot en met augustus in strafdetentie zou blijven. Eiser is daarom verkeerd geïnformeerd.
4.1.
Verder had verweerder kunnen volstaan met een lichter middel. Dit is de eerste keer dat eiser in vreemdelingebewaring verblijft. Daarnaast heeft hij een vrouw en jong kind binnen de Europese Unie. Eiser doet een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM. [1] Eiser wil graag naar een asielzoekerscentrum (AZC) waar hij beter contact met zijn familie kan onderhouden. Daarnaast heeft hij zowel fysiek als geestelijk een zwakke gezondheid. Detentie is te zwaar voor hem.
4.2.
Tot slot voert eiser aan dat hij op 4 mei 2026 naar een gehoor zou gaan en toen al zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. Daarbij zou eiser ook een document hebben ondertekend. Verweerder had daarom al op uiterlijk 6 mei 2026 de maatregel moeten opheffen.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Uit het proces-verbaal van staandehouding van 16 april 2026 blijkt dat eiser door de Zwitserse autoriteiten in het kader van de Dublinverordening is overgedragen op Schiphol en vervolgens is aangehouden ter uitvoering van een opgelegde straf (vonnis) of strafrechtelijke maatregel. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat er sprake was van een verkapte vreemdelingrechtelijke aanhouding. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de bewaringsrechter niet bevoegd is om over deze aanhouding, de daaropvolgende strafdetentie en de vroegtijdige beëindiging daarvan te oordelen.
7. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien voor een lichter middel. Ten aanzien van het gestelde familieleven heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser de relatie met zijn vrouw en kind niet heeft onderbouwd. Daarbij heeft verweerder telefonisch contact gehad met de vriendin van eiser en zij heeft medegedeeld dat ze officieel niet getrouwd zijn en dat eiser zijn kind niet heeft kunnen erkennen vanwege een gebrek aan de benodigde documenten. Verder is het weliswaar makkelijker voor eiser om contact te onderhouden vanuit een AZC, maar niet is gebleken dat de beperkingen die eiser nu ervaart onevenredig bezwarend zijn. Daarbij is van belang dat eiser niet nader heeft geconcretiseerd welke beperkingen hij ervaart. Ten aanzien van eisers medische problemen is niet gebleken dat eiser daarvoor niet bij de medische dienst van het detentiecentrum terecht kan. Van detentieongeschiktheid is daarom niet gebleken.
8. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij op 4 mei 2026 al zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. Op dat moment had eiser geen gehoor, zoals hij wel heeft gesteld, en bovendien bevat het dossier geen door eiser ondertekend document waaruit blijkt dat hij op 4 mei 2026 zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiser op 8 mei 2026 zijn asielaanvraag heeft ingetrokken.
9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [2] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring eerder onrechtmatig is geweest.
10. Het beroep is gegrond. Eiser maakt aanspraak op een schadevergoeding, omdat hij gedurende 3 dagen onrechtmatig is gedetineerd. De rechtbank zal het door verweerder reeds aangeboden bedrag aan schadevergoeding toekennen.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eiser gemaakte proceskosten. Daarbij zal de rechtbank ook een punt toekennen voor de aanwezigheid ter zitting. Hoewel de overige gronden die naar voren zijn gebracht niet slagen, kan, gelet op hetgeen hiervoor onder 4. tot en met 8. is overwogen, niet worden gezegd dat een zitting niet meer nodig was. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de behandeling ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 360,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
2.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.