Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12794

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/09/681457 / FA RK 25-1722
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 815 lid 2 RvArt. 3 Protocol 23 november 2007Art. 1:93 BWArt. 1:94 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met zorgregeling, kinderalimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap

Partijen zijn gehuwd in 2017 en hebben twee minderjarige kinderen. De rechtbank heeft op 11 april 2025 voorlopige voorzieningen getroffen omtrent de zorg en kinderalimentatie. De vrouw verzoekt de echtscheiding uit te spreken met nevenvoorzieningen waaronder partneralimentatie, kinderalimentatie, zorgregeling en verdeling van de huwelijksgemeenschap. De man voert verweer en doet een zelfstandig verzoek.

De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht van toepassing is. De echtscheiding wordt toegewezen omdat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De hoofdverblijfplaats van de kinderen wordt vastgesteld bij de vrouw, met een zorgregeling waarbij de man de kinderen twee dagen per week en de helft van vakanties en feestdagen verzorgt. De zorgregeling wordt aangepast aan de werktijden van partijen.

De kinderalimentatie wordt vastgesteld op €274 per maand, gebaseerd op de draagkracht van de man en vrouw en de behoefte van de kinderen. De partneralimentatie wordt afgewezen wegens gebrek aan draagkracht van de man en onvoldoende onderbouwing door de vrouw. De huwelijksgemeenschap wordt verdeeld volgens Nederlands recht, waarbij de woning en inboedel reeds onderling zijn verdeeld. De man krijgt een bedrag van €2.797,- van de vrouw voor door hem betaalde eigenaarslasten na ontbinding van de gemeenschap. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de echtscheiding zelf.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit, stelt de zorgregeling en kinderalimentatie vast en wijst het verzoek partneralimentatie af.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1722 (echtscheiding) en FA RK 25-5051 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/681457 (echtscheiding) en C/09/687956 (verdeling)
Datum beschikking: 20 april 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 5 maart 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Leenders in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.A. van den Heuvel in Rijswijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 18 maart 2025, met bijlagen, van de vrouw;
  • het verweerschrift met een zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van 13 maart 2026, met bijlagen, van de man;
  • de bijlagen van 17 maart 2026, van de vrouw;
  • het F9-formulier van 23 maart 2026, met bijlagen, van de man.
Op 23 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat en haar kantoorgenoot mr. J.J. Sloot;
  • [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.
De rechtbank heeft de vrouw in de gelegenheid gesteld om na de zitting haar arbeidsovereenkomst in te dienen. De man is in de gelegenheid gesteld om daar op te reageren.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
  • het F9-formulier van 25 maart 2026, met bijlagen, van de vrouw;
  • het F9-formulier van 31 maart 2026, met bijlagen, van de man.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op [dag] 2017 te [plaats] , Dominicaanse Republiek.
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] );
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2] ).
  • De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over de kinderen.
  • Op 11 april 2025 heeft de rechtbank voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende dat:
  • de kinderen aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
  • er een voorlopige zorgregeling zal gelden tussen de man en de kinderen, inhoudende dat de kinderen twee opeenvolgende dagen per week bij de man verblijven, alsmede de helft van de vakanties en de feestdagen, in onderling overleg te verdelen;
  • de man aan de vrouw, met ingang van heden, voorlopig een kinderalimentatie ten
behoeve van de kinderen van € 174,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij
vooruitbetaling te voldoen.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
  • vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
  • vaststelling van een zorgregeling tussen de man en de kinderen, inhoudende dat de man de kinderen drie opeenvolgende dagen per week verzorgt in zijn woonruimte, waarbij de man gedurende deze zorgmomenten voorlopig gebruik kan maken van de echtelijke woning indien hij geen eigen woonruimte heeft;
  • bepaling dat de man maandelijks aan de vrouw een bedrag ten behoeve van de kinderalimentatie van € 200,- netto per kind dient te voldoen;
  • primair:bepaling dat de man samen met de vrouw de woonlasten van de echtelijke woning zal blijven voldoen totdat de vrouw de woning kan verlaten en een eigen ruimte heeft, dan wel totdat de woning wordt verkocht;
subsidiair:bepaling dat de man aan de vrouw maandelijks een bedrag van € 900,- netto aan partneralimentatie dient te voldoen.
De man voert verweer tegen de verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hierbij verzoekt hij zelfstandig – uitvoerbaar bij voorraad –:
- de verzoeken van de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans en in ieder geval de
verzoeken van de vrouw geheel of gedeeltelijk af te wijzen;
- te bepalen dat de man € 134,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bijdrage, per maand aan de opvoeding en verzorging van de kinderen dient bij te dragen,
althans en in ieder geval met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
  • een zorgregeling vast te stellen tussen de man en de kinderen, inhoudende dat de kinderen wekelijks twee dagen bij de man zijn, waarbij de vakanties en feestdagen in onderling overleg tussen partijen worden verdeeld, en als dat niet lukt, de reguliere regeling ook in vakanties en feestdagen geldt;
  • vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap conform zijn voorstel;
  • te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 3.252,50 aan de man dient te voldoen in het
kader van de reeds door de man verrichte betalingen van de eigenaarslasten.

Beoordeling

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen (artikel 815 lid 2 Rv Pro). Partijen hebben dat niet gedaan. De rechtbank zal in dit geval voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 lid 2 Rv Pro, omdat naar het oordeel van de rechtbank voldoende naar voren is gekomen dat de ouders niet in staat zijn om gezamenlijk tot een ouderschapsplan te komen.
Nu aan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en de man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats en zorgregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op deze verzoeken.
Inhoudelijke beoordeling
De ouders zijn het er over eens dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich daartegen verzet.
Momenteel geven de ouders uitvoering aan de zorgregeling waarbij de kinderen elke week van zondag tot en met dinsdagochtend naar school bij de man zijn. De ouders zijn het er over eens dat deze dagen in ieder geval voortgezet moeten worden.
De man werkt van dinsdag tot en met zaterdagavond. Ter zitting heeft de vrouw aangevoerd dat zij op korte termijn zal starten met een nieuwe baan, waarbij zij van zondag tot en met dinsdag werkzaam zal zijn. Zij heeft toegezegd dat zij de kinderen op dinsdagmiddag van school dan wel de opvang kan ophalen. Het resterende knelpunt betreft het wisselmoment op zaterdagavond dan wel zondagochtend. De vrouw begint op zondagochtend om 06.00 met haar werk, terwijl de man op zaterdagavond pas rond 21.00 uur thuiskomt van zijn werk. De rechtbank is van oordeel dat in deze situatie de meest wenselijke oplossing is dat de vrouw de kinderen op zaterdagavond om 21.00 uur bij de man thuis afzet. De vrouw heeft voorts aangegeven dat zij haar ochtenddienst op de zondag wellicht kan ruilen naar een middagdienst. Voor de situatie dat dit mogelijk is, zal de rechtbank bepalen dat de man de kinderen op zondagochtend om 09.30 uur bij de vrouw thuis ophaalt.
De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de man om de vakanties een feestdagen in onderling overleg te verdelen. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen. nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich daartegen verzet.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de kinderen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek. Op dit verzoek zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Voor de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sluit de rechtbank aan bij het bedrag dat is vastgesteld in de voorlopige voorzieningenprocedure, zijnde een bedrag van € 1.211,- per maand, of wel € 606,- per maand per kind, voor het jaar 2025. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.267,- per maand, of wel € 634,- per maand per kind.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een uurloon van € 14,78 (bruto), volgend uit de payrollovereenkomst. Gelet op hetgeen besproken ter zitting, gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw 24 uur per week werkt, wat maakt dat de vrouw € 355,- per week verdient. Gezien de zorg die de vrouw daarnaast voor de kinderen heeft, ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van een hogere verdiencapaciteit.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 2.376,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [2.376 - (713 + 1.365)] = € 209,- per maand.
Draagkracht man
De vrouw heeft aangevoerd dat het inkomen van de man uit zijn betaalspecificaties in het jaar 2026 met ongeveer € 250,- per maand is toegenomen ten opzichte van zijn inkomen uit de jaaropgave 2025.
De man heeft vervolgens onweersproken gesteld dat hij evenveel uren werkt, maar dat het verschil voortkomt uit onregelmatigheidstoeslagen, overwerk en fooien.
Gelet op de onweersproken stelling van de man, zal de rechtbank uitgaan van de door de man overgelegde jaaropgave 2025. Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een bruto jaarloon van € 33.954,-.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 2.510,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [2.510 – (753 + 1.365)] = € 274,- per maand.
Draagkrachttekort
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 483,- per maand (€ 209 + € 274). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. Er is sprake van een tekort van € 784,- per maand.
De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de man gemiddeld twee dagen per week en een deel van de vakanties de zorg heeft voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , geldt een percentage van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 317,- per maand ((25% van € 1.267)).
Aandeel man
Omdat sprake is van een tekort en dit tekort ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting, vervalt de zorgkorting van de man. Partijen zullen daarom maximaal, naar hun draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is dus gelijk aan zijn draagkracht.
De door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt dan dus € 274,- per maand. De rechtbank zal dit vaststellen.
Ingangsdatum
De rechtbank zal de ingangsdatum vaststellen op de datum van deze beschikking.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft zij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek om partneralimentatie. Op dit verzoek zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Los van het feit dat de vrouw haar verzoek niet heeft onderbouwd, heeft de man geen draagkracht om partneralimentatie te voldoen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijks-vermogensstelsels).
Nu het huwelijk is gesloten na 1 september 1992 en vóór 29 januari 2019, is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (het Verdrag) van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.
Niet gesteld of gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.
Partijen hebben hun eerste gewone verblijfsplaats niet binnen zes maanden na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd. De man woonde in Nederland en de vrouw heeft zich pas in oktober 2018 – meer dan een jaar na de huwelijksvoltrekking – bij de man in Nederland gevestigd. Daarnaast hadden partijen bij de huwelijksvoltrekking op [dag] 2017 dan wel binnen zes maanden daarna geen nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag. Immers, de vrouw had de Dominicaanse nationaliteit en de man de Nederlandse nationaliteit (ten tijde van de huwelijksvoltrekking). Het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime kan daarom niet worden vastgesteld aan de hand van een gemeenschappelijke eerste gewone verblijfsplaats of een gemeenschappelijke nationaliteit, zoals artikel 4, eerste en tweede lid, van het Verdrag voorschrijft.
Op grond van artikel 4, derde lid, van het Verdrag is in dat geval het recht van toepassing waarmee het huwelijksvermogensregime de nauwste band heeft. Gelet op het feit dat de man ten tijde van de huwelijksvoltrekking al woonachtig was in Nederland, het altijd de intentie van partijen was om zich gezamenlijk in Nederland te vestigen en de vrouw daaraan uitvoering heeft gegeven door zich in 2018 in Nederland te vestigen, partijen tot op heden hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben en hun eigendommen zich in Nederland bevinden, komt de rechtbank tot het oordeel dat het huwelijksvermogensregime van partijen met Nederland het nauwst is verbonden. Het Nederlandse recht is daarom van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.
Inhoudelijke beoordeling
Algehele gemeenschap van goederen
De man en de vrouw zijn gehuwd op [dag] 2017. Zij hebben geen huwelijkse voorwaarden gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding. Dat is 5 maart 2025. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.
Omvang
Door partijen zijn de volgende vermogensbestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:
de echtelijke woning, gelegen aan de [adres] ;
de inboedel;
de auto’s:
a. de Opel Astra (kenteken [kenteken 1] );
b. de Peugeot 307 (kenteken [kenteken 2] ).
Tijdens de zitting is gebleken dat partijen de echtelijke woning hebben verkocht en dat zij de verkoopopbrengst al bij helfte hebben gedeeld. Partijen hebben de inboedel ook in onderling overleg verdeeld. Over de twee auto’s die partijen op de peildatum in eigendom hadden, hebben partijen verklaard dat beide auto’s niet meer aanwezig zijn. Beide partijen hebben aangegeven dat er dus geen beslissing meer van de rechtbank nodig is, omdat zij de verdeling van de huwelijksgemeenschap al onderling hebben geregeld.
Eigenaarslasten voormalig echtelijke woning
De man verzoekt om te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 3.252,50 aan de man dient te voldoen in het kader van de reeds door de man verrichte betalingen van de eigenaarslasten van de (voorheen) echtelijke woning. Dit bedrag is de helft van de door hem over de periode januari tot en met augustus 2025 betaalde hypotheeklasten en VVE-bijdragen. De hypotheeklasten bedragen € 783,- per maand en de VVE-bijdrage is € 128,- per maand.
De vrouw stelt in reactie op het verzoek van de man dat zij financiële toeslagen is misgelopen, omdat de man zich voor een langere tijd niet heeft uitgeschreven van het adres van de woning. Daarnaast voert zij aan dat er in de voorlopige voorzieningenprocedure rekening mee is gehouden bij de alimentatie dat de man de vaste lasten van de woning zou dragen. De vrouw vindt daarom dat het verzoek van de man moet worden afgewezen.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft onderbouwd met stukken aangetoond dat hij in de periode direct voor en na de peildatum tot het moment van verkoop van de echtelijke woning de hypotheeklasten en de VVE-kosten geheel voor zijn rekening heeft genomen. De vrouw heeft dit niet betwist.
Hetgeen de vrouw als verweer heeft gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om deze lasten vanaf de ontbinding van de algehele gemeenschap van goederen volledig voor rekening van de man te laten komen, temeer omdat de vrouw in deze echtscheidingsprocedure zelf ook heeft verzocht om te bepalen dat partijen gezamenlijk de woonlasten van de echtelijke woning blijven voldoen totdat de vrouw de woning kan verlaten en een eigen ruimte heeft of totdat de woning wordt verkocht. Daarnaast is in de voorlopige voorzieningenprocedure aan de zijde van de man niet gerekend met de dubbele woonlasten, maar is de forfaitaire woonlast van 30% als uitgangspunt genomen. De stelling van de vrouw dat zij door toedoen of nalaten van de man toeslagen is misgelopen heeft de man gemotiveerd betwist. Nu de vrouw haar stelling niet nader heeft onderbouwd en geen verzoek daarover heeft gedaan, zal de rechtbank hieraan voorbij gaan. De betalingen in de periode voorafgaand aan de ontbinding van de gemeenschap van goederen zijn verdisconteerd in de saldi van de bankrekeningen van partijen die daarvan onderdeel uitmaken. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen voor zover de betalingen zien op de periode na de ontbinding van de algehele gemeenschap ofwel tot de helft van 7 maanden VVE-bijdrage en 6 maanden hypotheeklasten neerkomende op een door de vrouw aan de man te betalen totaalbedrag van € 2.797,-.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [dag] 2017 te [plaats] , Dominicaanse Republiek;
*
bepaalt dat de minderjarigen:
 [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats] ;
 [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats] ,
hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat de kinderen bij de man zijn:
  • als de vrouw op zondagochtend moet werken: van zaterdagavond 21.00 uur tot dinsdagochtend naar school dan wel naar de opvang, waarbij de vrouw de kinderen op zaterdag bij de man brengt en de man de kinderen op dinsdag naar school brengt;
  • als de vrouw op zondagmiddag moet werken: van zondagochtend 09.30 uur tot dinsdagochtend naar school dan wel naar de opvang, waarbij de man de kinderen op zondag bij de vrouw ophaalt en hij de kinderen op dinsdag naar school brengt;
  • de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 274,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de vrouw aan de man een bedrag van € 2.797,- dient te voldoen in het
kader van de door de man verrichte betalingen van de eigenaarslasten;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 20 april 2026.
Partij
Man
Zaak
Man / Vrouw (C/09/681457)
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2026-1
Datum uitdraai
16-04-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon volgens jaaropgaaf
(60)
60
Loon volgens jaaropgaaf
33.954
Op het bruto loon ingehouden
59
Inkomsten (transport)
33.954
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
33.954
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
33.954
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
12.138
95
Inkomensheffing box 1
12.138
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
33.954
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
12.138
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
8.305
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
3.833
Inkomen na aftrek inkomensheffing
30.121
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
2.846
jaar
Arbeidskorting
5.459
jaar
120
Besteedbaar inkomen
30.121
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
30.121
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
2.51
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
2.51
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.365
123a
Woonbudget
753
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.118
136a
Draagkrachtruimte
392
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
274
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
274
Partij
Vrouw
Zaak
Man / Vrouw (C/09/681457)
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2026-1
Datum uitdraai
16-04-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
18.46
44
Vakantietoeslag
1.477
Bruto inkomsten
19.937
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
19.937
59
Inkomsten
19.937
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
19.937
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
19.937
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
7.127
95
Inkomensheffing box 1
7.127
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
19.937
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
7.127
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
8.153
Inkomen na aftrek inkomensheffing
19.937
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.115
jaar
Arbeidskorting
3.469
jaar
Combinatiekorting
1.569
jaar
Bij: Kindgebonden budget
8.576
120
Besteedbaar inkomen
28.513
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
28.513
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
2.376
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
2.376
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.365
123a
Woonbudget
713
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.078
136a
Draagkrachtruimte
298
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
209
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
209