Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12829

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
NL26.22692
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 GezinsherenigingsrichtlijnBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening bij afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens gezinshereniging

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als gezinslid bij haar broer, de referent, die een asielvergunning heeft. De minister wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, waarbij ten onrechte werd aangenomen dat de referent meerderjarig was bij zijn asielaanvraag.

Verzoekster stelde beroep in tegen het besluit, waarna de minister het besluit introk en beloofde binnen vier weken op het bezwaar te beslissen. De minister nam echter geen besluit binnen de gestelde termijn, waarna verzoekster een voorlopige voorziening vroeg om als houder van een geldige mvv behandeld te worden.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het primaire verzoek te verstrekkend is en geen voorlopig karakter heeft, maar erkent het spoedeisend belang van verzoekster en twijfelt aan de rechtmatigheid van het besluit. Daarom wijst de voorzieningenrechter het subsidiaire verzoek toe en beveelt de minister binnen twee weken te beslissen; bij uitblijven daarvan moet verzoekster als houder van een geldige mvv worden behandeld.

De minister wordt tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekster. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De minister moet binnen twee weken op het bezwaar beslissen, bij uitblijven daarvan wordt verzoekster als houder van een geldige mvv behandeld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.22692
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster

(gemachtigde: mr. M. Issa),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. A.R.J. Maas).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (referent)’. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.2.
De voorzieningenrechter treft in deze uitspraak een voorlopige voorziening en draagt de minister op om binnen twee weken op het bezwaar van verzoekster te beslissen. Als de minister dat besluit niet tijdig neemt, moet de minister verzoekster behandelen als ware zij in het bezit is van een geldige mvv. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Verzoekster heeft op 22 januari 2021, samen met haar broer [naam], een aanvraag ingediend voor een mvv met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (referent)’. Referent is de broer van verzoekster en is op 15 juni 2020 in het bezit gesteld van een asielvergunning voor bepaalde tijd. De ouders van verzoekster hebben in het kader van nareis ook een aanvraag ingediend om bij referent in Nederland te verblijven, namelijk op 2 juli 2020.
2.2.
Met het primaire besluit van 5 juli 2021 heeft de minister de aanvraag van verzoekster voor een mvv afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 juni 2024 heeft de minister het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Volgens de minister is geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen verzoekster en referent. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat referent ten tijde van zijn asielaanvraag meerderjarig was. Daardoor vallen verzoekster en haar broer niet binnen de groep personen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
2.3.
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft de rechtbank op 26 februari 2026 meegedeeld het bestreden besluit te hebben ingetrokken en uiterlijk binnen vier weken een nieuw besluit te zullen nemen op het bezwaar van verzoekster. De aanleiding voor deze intrekking was dat de minister in de nareiszaak van de ouders van verzoekster en referent een nieuwe beschikking heeft genomen, waarin de minister aan de ouders een mvv heeft verleend.
2.4.
De rechtbank heeft verzoekster gevraagd of dit aanleiding is om het beroep in te trekken. Verzoekster heeft de rechtbank verzocht het beroep om laten te klappen naar een beroep niet tijdig beslissen. Op 25 maart 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar gegrond verklaard en bepaald dat de minister binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak een besluit op het bezwaar van verzoekster moet nemen.
2.5.
De minister heeft de uitspraak van de rechtbank niet opgevolgd en heeft geen nieuw besluit op het bezwaar van verzoekster genomen. Op 21 april 2026 heeft verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd om de voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat de minister wordt gelast verzoekster gedurende de behandeling van het bezwaar te behandelen als ware zij in het bezit is van een geldige mvv. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
Verzoekster is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent en zijn broer, de gemachtigde van verzoekster,
W. Fadel als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De gevraagde voorziening strekt ertoe om de minister op te dragen om verzoekster gedurende de behandeling van het bezwaar te behandelen als ware zij in het bezit is van een geldige mvv. Subsidiair heeft verzoekster op zitting verzocht om de minister op te dragen om binnen een termijn van twee weken te beslissen, met daarbij de voorwaarde dat als de minister niet tijdig beslist, de minister verzoekster na de beslistermijn moet behandelen als ware zij in het bezit is van een geldige mvv.
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de gevraagde voorlopige voorziening naar zijn aard geen voorlopig karakter heeft. De feitelijke gevolgen van het uitgangspunt dat verzoekster wordt behandeld alsof zij in het bezit is van een geldige mvv, komen er immers op neer dat het voor haar mogelijk wordt om naar Nederland te reizen, zonder dat de minister vooraf heeft kunnen toetsen of aan alle voorwaarden voor het beoogde verblijfsdoel wordt voldaan. De beoordeling hiervan is in eerste instantie aan de minister. Toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening zou betekenen dat de minister voor een voldongen feit wordt gesteld. Een dergelijk verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom slechts in uitzonderlijke gevallen voor toewijzing in aanmerking kunnen komen, namelijk in die gevallen waarin de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek van verzoekster in verhouding tot het belang van de minister bij handhaving van die afwijzing zo onevenredig zijn, dat het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht. Voor een dergelijke vergaande beslissing is in beginsel alleen plaats als een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe dwingt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het besluit waartegen bezwaar is gemaakt.
5. De voorzieningenrechter ziet, anders dan de minister, wel degelijk een spoedeisend belang bij een snelle komst van verzoekster naar Nederland. De mvv-aanvraag van de ouders is immers ingewilligd, en op zitting is aangegeven dat zij de mvv inmiddels hebben opgehaald en binnen drie maanden naar Nederland dienen te reizen. Hierdoor loopt verzoekster het risico om in afwachting van de beslissing op haar bezwaar alleen in Syrië achter te blijven. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat met de kennis van nu sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het besluit waartegen bezwaar is gemaakt. In het bestreden besluit is getoetst of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen verzoekster en referent. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting erkend dat dit een verkeerde toets was omdat de minister inmiddels aanneemt dat referent minderjarig was, waardoor in de beslissing op bezwaar getoetst moet worden of sprake is van hechte persoonlijke banden tussen verzoekster en referent.
6. De vraag is echter of het spoedeisend belang van verzoekster zo groot is dat dit het treffen van de gevraagde voorziening rechtvaardigt. De gevraagde voorziening - de opdracht aan de minister om verzoekster te behandelen als ware zij in het bezit is van een geldige mvv - heeft geen voorlopig karakter en is verstrekkend. In de beslissing op bezwaar dient de minister een nieuwe beoordeling te maken in hoeverre sprake is van hechte persoonlijke banden tussen verzoekster en referent en voor zover daarvan sprake zou zijn, dient de minister nog een belangenafweging te maken tussen het belang van verzoekster enerzijds en het belang van de Nederlandse Staat anderzijds. De voorzieningenrechter kan niet op deze beoordeling vooruit lopen. Ook blijkt niet uit de omstandigheden van verzoekster dat de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek van verzoekster in verhouding tot het belang van de minister bij handhaving van die afwijzing zo onevenredig zijn, dat het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om het primaire verzoek toe te wijzen.
7. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om het subsidiaire verzoek toe te wijzen. De gemachtigde van de minister heeft namelijk op zitting toegelicht dat volgens de beslismedewerker binnen twee weken een beslissing op het bezwaar van verzoekster zal worden genomen, maar heeft hierbij ook opgemerkt dat als dat niet gebeurt, er rechtsmiddelen openstaan voor verzoekster. Hoewel de voorzieningenrechter niet twijfelt aan de inzet van de medewerkers van de minister, leert de praktijk echter ook dat een beslistermijn niet altijd leidt tot tijdige besluitvorming. De minister heeft zich immers ook niet gehouden aan de beslistermijn die de rechtbank heeft opgelegd in de uitspraak op het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van verzoekster. Als stok achter de deur en omdat de voorzieningenrechter in deze zaak ziet dat een spoedige beslissing voor verzoekster geboden is, vindt de voorzieningenrechter het passend om in deze situatie een voorwaardelijke voorziening te treffen en de minister op te dragen om binnen twee weken op het bezwaar van verzoekster te beslissen. Als de minister dat besluit niet tijdig neemt, moet de minister verzoekster behandelen als ware zij in het bezit is van een geldige mvv.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter treft de voorlopige voorziening zoals onder 7. omschreven. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- bepaalt dat de minister, als de minister niet binnen twee weken een beslissing op het bezwaar van verzoekster heeft genomen en bekendgemaakt, verzoekster na twee weken moet behandelen als ware zij in het bezit is van een geldige mvv.
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.