ECLI:NL:RBDHA:2026:12831

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
NL26.20167
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 5 TerugkeerrichtlijnArt. 3 EVRMArt. 5, onder a) en b), richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring en afwijzing schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd gerechtvaardigd met zware en lichte gronden, waaronder het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en niet zou meewerken aan terugkeer.

Eiser voerde aan dat het non-refoulementbeginsel onvoldoende was getoetst, verwijzend naar een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder het non-refoulementbeginsel wel degelijk kenbaar had beoordeeld, mede aan de hand van eerdere asielbesluiten en het gehoor voorafgaand aan de bewaring.

De rechtbank stelde vast dat eiser geen nieuwe relevante feiten had ingebracht en dat het familie- en gezinsleven noch het non-refoulementbeginsel zich verzetten tegen de uitzetting. De ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel, zoals vereist door het Hof van Justitie, leidde eveneens tot de conclusie dat de bewaring rechtmatig was.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20167

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden, bedoeld in artikel 5.1b, eerste en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden, bedoeld in artikel 5.1b, eerste en vierde lid van het Vb, vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. De zware gronden 3b en 3c en de lichte grond 4a, en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring al dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Non-refoulement
3. Eiser voert onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 februari 2026 [1] aan dat verweerder bij het opleggen van de maatregel van bewaring ten onrechte niet heeft getoetst aan het beginsel van non-refoulement. Het terugkeerbesluit waar verweerder naar verwijst is van 20 februari 2023 en dus van jaren geleden. Verweerder had bovendien tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring moeten doorvragen ten behoeve van de beoordeling van het refoulementrisico. Dit leidt er volgens eiser toe dat de maatregel niet berust op een zorgvuldige voorbereiding en evenmin op een deugdelijke motivering.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op het moment van oplegging van de maatregel van bewaring kenbaar beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zoals bedoeld in artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn, zich al dan niet tegen de uitzetting van eiser verzet. De rechtbank verwijst naar de passage over het beginsel van non-refoulement onder het gelijknamige kopje op pagina 7 van in de maatregel van bewaring. In de beslissing van 20 februari 2023 op de asielaanvraag van eiser is inhoudelijk op het door eiser gestelde risico op een schending van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij terugkeer ingegaan. Latere asielaanvragen zijn in besluiten van 16 januari 2026 en 10 maart 2026 niet inhoudelijk behandeld omdat eiser de aanvraagformulieren niet volledig en duidelijk heeft ingevuld. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat eiser niets heeft willen verklaren. Eiser heeft dan ook geen voor de beoordeling van het refoulementrisico relevante nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht. Nadat eiser tijdens het gehoor emotioneel werd, is expliciet gevraagd naar zijn standpunt over terugkeer naar Gambia, waarop eiser opnieuw heeft gezwegen. Verweerder heeft derhalve voldoende onderzoek verricht en kunnen concluderen dat niet is gebleken dat het non-refoulementbeginsel zich tegen de uitzetting van eiser verzet. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.