Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
hij op of omstreeks 29 juni 2024 te ’s-Gravenhage om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk vervaardigen van Cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te
plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van
dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had
om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
- een hoeveelheid Cocaïne (van ongeveer 6.2 gram), en/of
- een geldbedrag van 1712.50 euro,
voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);
2
hij op of omstreeks 29 juni 2024 te ’s-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 6.2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende Cocaïne, zijnde Cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3.De bewijsbeslissing
Ik ondersteunde bij de fouillering van de groep mannen en fouilleerde [de verdachte] naar aanleiding van een melding dat er gedeald zou worden in de [straatnaam] te 's-Gravenhage.
In zijn zak voelde ik, verbalisant, een verdikking. Ik keek en zag een
grote hoeveelheid briefgeld zitten. Ik liet dit, briefgeld, zitten in zijn zak.
Toen ik bij zijn lies kwam met mijn handen voelde ik een bobbel zitten. Ik hoorde ook gekraak, dit gekraak herkende ik als van plasticzakjes. Hierdoor kreeg ik het vermoeden had dat dit een zakje drugs betrof.
Aangezien we in een donkere steeg stonden en de kans op kwijtmaking aanwezig was haalde ik het zakje uit zijn onderbroek. Ik, verbalisant, zag dat dit een gripzakje was met een flink aantal witte bolletjes.
hij op 29 juni 2024 te ’s-Gravenhage om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren
enverstrekken van
cocaïne, stoffen
engelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
- een hoeveelheid
cocaïne (van 6.2 gram), en
- een geldbedrag van 1712.50 euro,
voorhanden
te hebben;
hij op 29 juni 2024 te ’s-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad 6.2 gram
cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De strafoplegging
7.De inbeslaggenomen voorwerpen
8.De vordering tot tenuitvoerlegging
9.De toepasselijke wetsartikelen
10.De beslissing
1 (ÉÉN) MAAND;
80 (TACHTIG) UREN;
40 (VEERTIG) DAGEN;
geldboete van € 750,00, subsidiair vijftien dagen vervangende hechtenis.