Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12880

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/09/703379 / KG RK 26-649
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid bij digitaal bijwonen zitting

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. E. Kouwenhoven, rechter bij de rechtbank Den Haag, omdat zijn verzoek om digitaal bijwonen van een zitting niet tijdig was beantwoord. Verzoeker stelde dat dit een patroon van onrechtmatigheden en partijdigheid weerspiegelde.

De wrakingskamer oordeelde dat beslissingen over het al dan niet digitaal bijwonen van een zitting procedurele beslissingen zijn en dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen dergelijke beslissingen niet als grond voor wraking erkent. De kamer benadrukte dat de wrakingskamer niet bevoegd is om de juistheid van deze tussenbeslissingen te toetsen.

Verder concludeerde de wrakingskamer dat er geen feiten of omstandigheden waren die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid van de rechter rechtvaardigen. Het verzoek werd ook gezien als een middel om uitstel van de zitting te verkrijgen, wat misbruik van het wrakingsinstrument inhoudt.

Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen, werd bepaald dat het proces wordt voortgezet zoals het was, en dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling wordt genomen. De beslissing werd op 30 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen en het proces wordt voortgezet zonder behandeling van een volgend wrakingsverzoek.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/29
zaak- /rekestnummer: C/09/703379 / KG RK 26-649
Beslissing van 30 april 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker.
strekkende tot de wraking van
mr. E. Kouwenhoven,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.Het wrakingsverzoek

1.1.
Op 14 april 2026 heeft de wrakingskamer een e-mail van verzoeker ontvangen met als onderwerp ‘Wraking SGR 25 / 5139’ (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
In deze e-mail staat het volgende:
“Mijn advocaat heeft schriftelijk d.d. 13 januari 2026 verzocht om een behandeling via videoverbinding. Ik heb nog steeds niet vernomen.
Overigens was/ben ik vanochtend ook fysiek verhinderd.
Afgelopen jaren heb ik helaas vaker te maken met rechters die machtsspelletjes spelen door mij te dwingen te verschijnen dan wel mij dwingen een procedure schriftelijk te voeren.
Dat is allebei onrechtmatig.
Helaas levert dit herhaaldelijke patroon, ook in deze zaak, een schijn van partijdigheid op. Ik zie graag een andere rechter en een nieuwe zitting gepland, nu wel (zoals verzocht en cf. HR-jurisprudentie) digitaal. Wellicht dat mijn advocaat dan ook digitaal de nieuwe zitting bij kan wonen.
P.S. Ik heb zojuist nog gebeld met de griffie (om 9:36u, gesprekduur 7m7s) om de zitting vrijwillig verplaatst te krijgen, maar ben helaas niet (tijdig) teruggebeld.
P.S. 2. Bij inloggen via Mijn Rechtspraak is onderhavige zaak niet terug te vinden bij de dossiers. Hoe kan zoiets (weer) mis blijven gaan bij de rechtbank Den Haag?
De wrakingsbehandeling woon ik uiteraard graag en uitsluitend, digitaal bij ihkv mijn recht op de mondelinge behandeling.”
2. De beoordeling
2.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
2.2.
Naar de wrakingskamer uit de e-mail van verzoeker begrijpt, vindt verzoeker de rechter vooringenomen omdat hij verzocht heeft om een behandeling van de hoofdzaak via videoverbinding en hij van de rechter op dat verzoek vlak voor de zitting nog geen reactie had ontvangen.
2.3.
In het geval een rechter een beslissing neemt of moet nemen omtrent het al dan niet digitaal mogen bijwonen van een zitting, is dat een procedurele beslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim op een verzoek tot - in dit geval - het digitaal bijwonen van een zitting te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Gelet hierop en op het ontbreken van andere feiten of omstandigheden waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, wordt het wrakingsverzoek afgewezen.
2.4.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling van een wrakingsverzoek is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
2.5.
Uit het feit dat verzoeker in zijn wrakingsverzoek heeft aangegeven dat hij fysiek verhinderd is, leidt de wrakingskamer af dat hij het wrakingsverzoek (mede) heeft ingediend om uitstel van de zitting te verkrijgen. Door de indiening van het wrakingsverzoek één minuut voor aanvang van de zitting heeft verzoeker dit uitstel ook weten te bewerkstelligen. De wrakingskamer oordeelt daarom dat verzoeker het middel van wraking heeft gebruikt om de procedure te vertragen. Daarmee is sprake van misbruik van het wrakingsinstrument. De wrakingskamer bepaalt om die reden dat een volgend verzoek tot wraking in de hoofdzaak niet meer in behandeling wordt genomen.

3.De beslissing

De wrakingskamer
3.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
3.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
3.3.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaak niet in behandeling zal worden genomen;
3.4.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en S.M. Westerhuis-Evers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.