Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12895

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/09/704125 / KG RK 26-695
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 39 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek na einduitspraak in hoofdzaak

De wrakingskamer van de rechtbank Den Haag heeft op 7 mei 2026 het wrakingsverzoek van verzoeker behandeld. Het verzoek betrof de wraking van de rechter die de kortgedingprocedure in de hoofdzaak tussen verzoeker en Univé behandelde. De hoofdzaak was op 21 november 2025 met een einduitspraak afgesloten.

Verzoeker stelde dat het vonnis was gebaseerd op valse stukken en dat de rechter naliet ambtshalve te toetsen, wat volgens hem leidde tot een onrechtmatige executie. De wrakingskamer oordeelde dat wraking slechts mogelijk is zolang de rechter nog betrokken is bij de behandeling van de zaak. Omdat de rechter al een einduitspraak had gedaan, was de behandeling van de zaak geëindigd en kon het wrakingsverzoek niet meer worden toegewezen.

Hoewel verzoeker aanvoerde dat het vonnis niet onherroepelijk was en herziening nog mogelijk, en dat de bodemrechter niet gebonden is aan de kortgedinguitspraak, maakte dit geen verschil voor de ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek. De wrakingskamer wees ook een door verzoeker aangehaald arrest van de Hoge Raad af als niet toepasselijk.

De wrakingskamer besloot daarom verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren in zijn wrakingsverzoek en wees een mondelinge behandeling af. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de rechter al een einduitspraak in de hoofdzaak heeft gedaan.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/34
zaak- /rekestnummer: C/09/704125 / KG RK 26-695
Beslissing van 7 mei 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. J.L.M. Luiten,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- het wrakingsverzoek, per e-mail binnengekomen op 28 april 2026 (om 10.30 uur);
- het aanvullend wrakingsverzoek per e-mail binnengekomen op 28 april 2026 (om 12:01 uur);
- een e-mail van verzoeker van 1 mei 2026 (om 23:08 uur);
- een e-mail van verzoeker van 2 mei 2026 (om 02:01 uur);
- een e-mail van verzoeker van 2 mei 2026 (om 15:12 uur);
- een e-mail van verzoeker van 2 mei 2026 (om 15:32 uur);
- een e-mail van verzoeker van 2 mei 2026 (om 16:13 uur);
- een e-mail van verzoeker van 6 mei 2026 (om 08:48 uur);
- een e-mail van verzoeker van 6 mei 2026 (om 09:11 uur);
- een e-mail van verzoeker van 6 mei 2026 (om 09:20 uur);
- een e-mail van verzoeker van 6 mei 2026 (om 09:25 uur);
- een e-mail van verzoeker van 6 mei 2026 (om 09:36 uur);
- een e-mail van verzoeker van 6 mei 2026 (om 09:59 uur);
- een e-mail van verzoeker van 6 mei 2026 (om 11:40 uur);
- een e-mail van verzoeker van 6 mei 2026 (om 17:37 uur);
- een e-mail van verzoeker van 6 mei 2026 (om 20:38 uur);
- een e-mail van verzoeker van 7 mei 2026 (om 00:02 uur).

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de kortgedingprocedure met nummer C/09/693618 / KG ZA 25-1048 tussen verzoeker als gedaagde partij en N.V. Univé Schade, Stichting Univé Rechtshulp, Univé Services B.V. en Coöperatie Univé Het Groene Hart U.A. als eisende partijen (hierna: de hoofdzaak). In de hoofdzaak is door de rechter op 21 november 2025 vonnis gewezen.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek van 28 april 2026, samengevat, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Het vonnis is gewezen op basis van valse stukken. Voordat het vonnis werd gewezen heeft verzoeker dit kenbaar gemaakt bij de rechtbank. De rechter heeft nagelaten ambtshalve te toetsen. Daarnaast is een kortgedinguitspraak geen einduitspraak hetgeen de rechter des te meer vrijheid gaf om ambtshalve te toetsen. Tot slot heeft de nalatigheid van de rechter direct geleid tot een onrechtmatige executie.

3.De beoordeling

3.1.
Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Op grond van het bepaalde in artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt. Het middel is toegekend aan een partij die wenst te voorkomen dat een rechter die jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans aan een partij die dienaangaande een bestaande vrees heeft die objectief gerechtvaardigd is, (nog langer) bemoeienis met de zaak zal hebben. Dat doel kan niet meer worden bereikt als de rechter al een einduitspraak heeft gedaan omdat de behandeling van de zaak immers met een einduitspraak is geëindigd. De wet voorziet ook niet in de mogelijkheid om een rechter te wraken nadat einduitspraak is gedaan.
3.2.
Bij het vonnis van 21 november 2025 heeft de rechter in de hoofdzaak vonnis gewezen. Dat vonnis is een eindbeslissing en daarmee is de behandeling van de zaak door de rechter geëindigd.
3.3.
Het wrakingsverzoek is op 28 april 2026 en dus na de uitspraak van voormeld vonnis ingediend. Uit het vorenstaande volgt dat de rechter de zaak niet meer behandelde op het moment dat het verzoek tot wraking is gedaan. Verzoeker is daarom niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek. Dat het vonnis niet onherroepelijk is en herziening nog mogelijk zou zijn, zoals verzoeker nog heeft aangevoerd in zijn wrakingsverzoek, maakt dit niet anders. Ook het feit dat de bodemrechter niet gebonden is aan de uitspraak in kort geding, brengt niet met zich dat daardoor de behandeling van de zaak door de gewraakte rechter niet is geëindigd.
3.4.
Verzoeker heeft verder nog verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van
14 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:325) waarin in r.o. 3.5. het volgende zou zijn overwogen:
“wraking is mogelijk zolang de rechter nog betrokken is bij de behandeling van de zaak. Dit is niet anders indien de rechter reeds een einduitspraak heeft gedaan, maar de feiten of omstandigheden die aanleiding geven tot wraking eerst na die uitspraak aan verzoeker bekend zijn geworden.”
3.5.
Los van het feit dat de door verzoeker geciteerde rechtsoverweging niet komt uit het genoemde arrest, volgt uit de jurisprudentie op dit punt niets meer dan dat in het geval er na de einduitspraak nog feiten en omstandigheden bij verzoeker bekend zijn geworden die aanleiding geven tot wraking, de rechter alleen kan worden gewraakt als die rechter nog betrokken is bij de behandeling van de zaak. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is daarvan in dit geval echter geen sprake.
3.6.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
4.2.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, Rv wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en E.E. Schotte, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.