Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.Het wrakingsverzoek
3.De beoordeling
14 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:325) waarin in r.o. 3.5. het volgende zou zijn overwogen:
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
De wrakingskamer van de rechtbank Den Haag heeft op 7 mei 2026 het wrakingsverzoek van verzoeker behandeld. Het verzoek betrof de wraking van de rechter die de kortgedingprocedure in de hoofdzaak tussen verzoeker en Univé behandelde. De hoofdzaak was op 21 november 2025 met een einduitspraak afgesloten.
Verzoeker stelde dat het vonnis was gebaseerd op valse stukken en dat de rechter naliet ambtshalve te toetsen, wat volgens hem leidde tot een onrechtmatige executie. De wrakingskamer oordeelde dat wraking slechts mogelijk is zolang de rechter nog betrokken is bij de behandeling van de zaak. Omdat de rechter al een einduitspraak had gedaan, was de behandeling van de zaak geëindigd en kon het wrakingsverzoek niet meer worden toegewezen.
Hoewel verzoeker aanvoerde dat het vonnis niet onherroepelijk was en herziening nog mogelijk, en dat de bodemrechter niet gebonden is aan de kortgedinguitspraak, maakte dit geen verschil voor de ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek. De wrakingskamer wees ook een door verzoeker aangehaald arrest van de Hoge Raad af als niet toepasselijk.
De wrakingskamer besloot daarom verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren in zijn wrakingsverzoek en wees een mondelinge behandeling af. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de rechter al een einduitspraak in de hoofdzaak heeft gedaan.