ECLI:NL:RBDHA:2026:12960

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/09/702369 KG ZA 26-332
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a RvArt. 79 RvArt. 6:119 BWAVGLandelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring wegens ontbreken advocaat in kort geding inzake AVG-inzageverzoek

In deze kortgedingprocedure vordert eiser dat de Belastingdienst hem inzage en afschrift verstrekt van persoonsgegevens van een derde, Bouman, die door of namens de Belastingdienst worden verwerkt. De Staat voert verweer dat de civiele rechter niet bevoegd is omdat er een bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat en dat eiser geen spoedeisend belang heeft.

Eiser is zonder advocaat verschenen, terwijl artikel 79, tweede lid, Rv en het Landelijk procesreglement kort gedingen voorschrijven dat de eisende partij alleen met of bij advocaat mag verschijnen. Hierdoor is niet voldaan aan een formeel vereiste voor ontvankelijkheid. De voorzieningenrechter verklaart eiser daarom niet-ontvankelijk.

Hoewel de advocaat van eiser de avond voor de zitting stukken heeft ingediend, was de afwezigheid van een advocaat ter zitting een belemmering voor een goede behandeling. De voorzieningenrechter geeft ten overvloede een voorlopig oordeel dat het primaire verweer van de Staat, dat de bestuursrechter bevoegd is, gegrond is. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken advocaat en veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/702369 / KG ZA 26-332
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 8 mei 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats] ,
eiser,
advocaten mr. K. Bozia te Lelystad en mr. J.M. Klaassen te Amsterdam,
tegen:
de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Financiën, de Belastingdienst)te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. C.L.L. Rutten-Stichter te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’ of ‘de Belastingdienst’.
Aanwezig is mr. H.J. Vetter, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. T.A.E. Scheers, griffier.
Tevens zijn aanwezig [eiser] in persoon, zonder advocaat, en mr. Rutten-Stichter namens de Staat.
Nadat de voorzieningenrechter met partijen heeft gesproken over de afwezigheid van mr. Bozia, de door haar de avond voor de zitting bij de rechtbank ingediende stukken en het niet-ontvankelijkheidsverweer van de Staat, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

1.De gronden van de beslissing

1.1.
Naar de voorzieningenrechter begrijpt is tussen partijen in geschil of de Staat nog meer gegevens aan [eiser] dient te verstrekken dan hij tot nu toe heeft gedaan.
1.2.
[eiser] vordert in deze procedure, zakelijk weergegeven, om de Belastingdienst – uitvoerbaar bij voorraad – te veroordelen om binnen vijf werkdagen na de datum van dit vonnis aan [eiser] inzage te verstrekken in en een afschrift te verstrekken van de persoonsgegevens van Bouman die door of namens de Belastingdienst worden verwerkt, in de zin van artikel 4 AVG Pro, waaronder begrepen de persoonsgegevens van Bouman die zijn vervat in dossiers/registraties die betrekking hebben op (voormalige) vennootschappen en daarmee samenhangende structuren, voor zover en in zoverre daarin persoonsgegevens van Bouman voorkomen of daartoe herleidbaar zijn, in welke vorm dan ook, waaronder in elk geval begrepen:
(i) FSV- en opvolgende risicoregistraties;
(ii) signaleringen, kwalificaties en risicoprofielen;
(iii) interne notities/memo's; en
(iv) loggings- en raadplegingsgegevens;
een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.
1.3.
De Staat heeft in een voorafgaand aan de zitting ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd tegen het gevorderde. De Staat heeft hierbij gewezen op de door hem op 19 oktober 2023, 3 maart 2026 en 5 maart 2026 genomen besluiten op de AVG-verzoeken van [eiser] . Het primaire verweer van de Staat is dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen, omdat tegen besluiten in de zin van de Awb een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat. De civiele rechter is volgens de Staat daarom niet bevoegd. Verder heeft [eiser] volgens de Staat geen spoedeisend belang bij zijn vordering. Tot slot stelt de Staat dat er geen sprake is van enig onrechtmatig handelen, omdat hij al op de verzoeken van [eiser] heeft beslist en aan zijn verplichtingen op grond van de AVG heeft voldaan.
1.4.
De voorzieningenrechter stelt vast dat [eiser] op grond van artikel 79, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) slechts bij advocaat kan procederen. Daarnaast staat in artikel 10.2 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken vermeld dat de eisende partij op de mondelinge behandeling alleen met of bij advocaat kan verschijnen. [eiser] is ter zitting verschenen zonder advocaat. Daarmee is niet voldaan aan een formeel vereiste om in deze procedure te kunnen worden ontvangen. [eiser] zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.
1.5.
De voorzieningenrechter overweegt hierbij nog het volgende. Mr. Bozia heeft weliswaar de avond voor de zitting om 18.05 uur aangekondigd dat zij vanwege omstandigheden aan haar zijde mogelijk niet ter zitting zal verschijnen, maar zij heeft de aard van deze omstandigheden niet nader toegelicht en heeft niet gevraagd om verplaatsing van de zitting. Integendeel, zij heeft bij deze mededeling de pleitnota met aanvullende producties aan de rechtbank doen toekomen en gesteld dat zij dit zorgvuldig acht, zodat de standpunten van [eiser] volledig kenbaar zijn gemaakt en bij de beoordeling kunnen worden betrokken. Nadat de voorzieningenrechter erop had gewezen dat het ontbreken van een advocaat aan de zijde van [eiser] een hindernis vormde, is er toch een gesprek met partijen op gang gekomen. Al snel bleek dat de zaak zonder de aanwezigheid van de advocaat voor [eiser] niet (naar behoren) kon worden behandeld. Daarbij speelde ook een rol dat de Staat voorafgaand aan de zitting geen kennis had kunnen nemen van de stukken die de avond voorafgaand aan de zitting door mr. Bozia waren overgelegd. Daarnaast diende in deze zaak als eerste het hiervoor vermelde primaire verweer van de Staat te worden besproken tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] . Zonder advocaat kon [eiser] daarop ter zitting niet inhoudelijk reageren. Het ontbreken van een advocaat aan de zijde van [eiser] verhinderde dan ook daadwerkelijk een deugdelijke behandeling van de vorderingen van [eiser] .
1.6.
Nadat de voorzieningenrechter [eiser] niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn vorderingen heeft de voorzieningenrechter ten overvloede – op basis van de ingediende stukken en dus zonder volledige behandeling van de zaak ter zitting – een voorlopig oordeel gegeven ten aanzien van het hiervoor bedoelde primaire verweer van de Staat. Naar de voorzieningenrechter begrijpt is dat wat de advocaat van [eiser] beoogde met de indiening van haar pleitnota voorafgaand aan de zitting. In dat verweer kan de Staat naar voorlopig oordeel worden gevolgd. [eiser] zou dan ook op die grond, naar valt aan te nemen, niet-ontvankelijk zijn in zijn vordering, omdat voor hem een met voldoende waarborgen omklede rechtsingang bij de bestuursrechter openstaat. Die staat ook open in geval van niet tijdig beslissen. In geval van een spoedeisend belang kan ook in die rechtsgang een voorlopige voorziening worden getroffen. Dat maakt naar voorlopig oordeel dat er geen plaats is voor het treffen van een voorziening in een civielrechtelijke kort geding.
1.7.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht € 735,-
- salaris advocaat € 1.177,-
- nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
-------------------
Totaal € 2.101,-
1.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

2.De beslissing

De voorzieningenrechter:
2.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;
2.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening;
2.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
2.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………
mr. T.A.E. Scheers mr. H.J. Vetter
de griffier is buiten staat dit
proces-verbaal te ondertekenen.