Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12964

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
NL26.26735
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 50a VwArt. 106 VwArt. 5.1b VbPenitentiaire beginselenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring en schadevergoeding

Eiser, een Libische vreemdeling, werd op 8 mei 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet. De maatregel werd op 15 mei 2026 opgeheven vanwege overdracht aan Duitse autoriteiten. Eiser stelde dat de binnentreding onrechtmatig was vanwege een verkeerd adres op de machtiging en dat de staandehouding en ophouding niet proportioneel waren. De rechtbank oordeelde dat het verkeerde adres per abuis was vermeld en gecorrigeerd, en dat de staandehouding rechtmatig was op grond van artikel 50a Vw.

Eiser betwistte de gronden voor bewaring, maar de rechtbank stelde vast dat eiser zonder geldig paspoort of verblijfsvergunning Nederland was binnengekomen en zich niet aan de meldplicht had gehouden, wat een significant risico op onderduiken oplevert. Verweerder had gemotiveerd dat geen lichter middel effectief was, mede gelet op eerdere pogingen en medische zorg in detentie. Ook het verwijt van onvoldoende voortvarendheid werd verworpen omdat de overdracht binnen een week na inbewaringstelling plaatsvond.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26735

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 15 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is overgedragen aan de Duitse autoriteiten.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1987 en de Libische nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Machtiging tot binnentreden
3. Eiser voert aan de binnentreding in zijn kamer onrechtmatig is geweest. Op de machtiging tot binnentreden staat een verkeerd huisnummer vermeld en daarnaast bevat het proces-verbaal van binnentreden tegenstrijdigheden.
4. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Het digitale dossier bevat een proces-verbaal van bevindingen van 8 mei 2026 waarin de verbalisant aan wie de machtiging tot binnentreden is gegeven heeft toegelicht dat bij het opmaken van de machtiging – en daardoor automatisch ook het proces-verbaal van binnentreden – per abuis het [adres 1] is vermeld in plaats van [adres 2] . Met dit proces-verbaal van bevindingen is dit gecorrigeerd. De vermelding van het verkeerde adres in het proces-verbaal van binnentreden leidt dan ook niet tot een onrechtmatigheid. Verder is ook niet gebleken van tegenstrijdigheden in het proces-verbaal van binnentreden die tot onrechtmatigheid leiden.
Staandehouding en ophouding
5. Eiser voert aan dat de staandehouding en ophouding niet rechtmatig en proportioneel waren.
6. Uit het proces-verbaal van staandehouding/overbrenging/ophouding blijkt dat de staandehouding en ophouding hebben plaatsgevonden op grond van artikel 50a, eerste lid, van de Vw. Dit artikel maakt het mogelijk een vreemdeling staande te houden en op te houden indien dit nodig is voor de voorbereiding van een maatregel van bewaring op grond van (onder meer) artikel 59a van de Vw. Verweerder heeft in het proces-verbaal en ook ter zitting toegelicht dat de staandehouding en ophouding noodzakelijk waren om tot inbewaringstelling van eiser te komen. De enkele stelling van eiser dat de staandehouding en ophouding niet proportioneel en rechtmatig waren omdat hij ook op een andere manier opgeroepen had kunnen worden, wordt dan ook niet gevolgd.
Gronden van de maatregel
7. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zou onderduiken.
Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
8. Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd.
9. De rechtbank stelt vast dat zware grond 3a feitelijk juist is, omdat eiser zonder paspoort met geldig visum of machtiging tot voorlopig verblijf Nederland is ingereisd. Daarnaast is ook zware grond 3b feitelijk juist, omdat eiser op 3 maart 2026 met onbekende bestemming is vertrokken en zich niet meer heeft gehouden aan zijn meldplicht. Uit de maatregel blijkt dat eiser zich pas op 20 april 2026 weer gemeld heeft in [plaats] . De zware gronden 3a en 3b kunnen de maatregel van bewaring samen dragen. De feitelijke juistheid van deze gronden maakt dat het significante risico op onderduiken kan worden aangenomen. Wat eiser tegen de overige gronden heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen nadere bespreking.
Lichter middel
10. Eiser voert verder aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen.
11. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om het significante risico op onderduiken te ondervangen. Daarbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat het opleggen van een meldplicht of het plannen van een vertrekgesprek niet heeft geleid tot de overdracht van eiser en eiser bij een eerder geplande overdracht naar Duitsland met onbekende bestemming is vertrokken. Ook de door eiser aangevoerde medische omstandigheden zijn meegewogen in de maatregel van bewaring. Verweerder heeft daarbij terecht overwogen dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Verder is niet gebleken van omstandigheden die de bewaring voor eiser onredelijk bezwarend maken.
Eiser heeft verder gesteld dat hij in het detentiecentrum niet de benodigde medische zorg krijgt, gelet op zijn psychische klachten en verslaving. Deze stelling van eiser is verder niet nader onderbouwd. Verder is de rechtbank van oordeel dat - indien eiser van mening is dat hij niet de benodigde medische zorg ontvangt - hij op grond van de Pbw [4] een klacht kan indienen tegen de medische dienst van het detentiecentrum.
Voortvarend handelen
12. Eiser voert tot slot aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
13. Verweerder heeft toegelicht dat op de dag van de inbewaringstelling de overdracht is aangekondigd bij de Duitse autoriteiten en dat eiser daarna binnen een week, namelijk op 15 mei 2026, is overgedragen. Daarmee heeft verweerder naar oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gewerkt aan de overdracht van eiser.
Ambtshalve toets
14. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets bestaat naar oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 21 mei 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Penitentiaire beginselenwet.