Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12969

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
NL26.26918
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens verschrijving tolk afgewezen

Eiser, een Ethiopische nationaliteit dragende vreemdeling, werd op 11 mei 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen dit besluit stelde eiser beroep in, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De maatregel werd op 15 mei 2026 opgeheven vanwege overdracht aan Duitse autoriteiten.

Eiser voerde aan dat er sprake was van een onduidelijkheid over de gebruikte tolk tijdens het proces-verbaal van het gehoor, waarbij in het proces-verbaal stond dat een Arabische tolk was ingezet terwijl eiser een Amhaarse tolk had gehoord. De rechtbank oordeelde dat dit een kennelijke verschrijving betrof en dat de mondelinge toelichting correct met een Amhaarse tolk had plaatsgevonden.

Verder betwistte eiser de gronden van de bewaring niet. De rechtbank stelde vast dat de gronden feitelijk juist en voldoende toegelicht waren, waaronder het risico op onderduiken en de overdracht aan Duitsland. Ook de vermelding van 'plaats: Breda' in het overdrachtsdocument werd door de rechtbank als niet onrechtmatig beoordeeld.

De ambtshalve toetsing leidde tot het oordeel dat de maatregel op geen enkel moment onrechtmatig was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26918

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 15 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is overgedragen aan de Duitse autoriteiten.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1986 en de Ethiopische nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Tolk
3. Eiser voert aan dat hij gehoord is met behulp van een tolk Amhaars , maar dat in het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is vermeld dat de inhoud van de maatregel van bewaring mondeling is toegelicht door een tolk Arabisch. Het is voor eiser niet duidelijk waarom er een andere tolk was ingeschakeld voor het toelichten van de maatregel van bewaring. Eiser heeft de inhoud van de maatregel van bewaring door de wisseling van tolken niet begrepen.
4. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder heeft toegelicht dat de mededeling in het proces-verbaal van gehoor dat de maatregel mondeling is toegelicht met behulp van een tolk in de Arabische taal een kennelijke verschrijving is. De mondelinge toelichting heeft plaatsgevonden met behulp van de tolk Amhaars , die aanwezig was tijdens het gehoor. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze mededeling van verweerder te twijfelen. Daarbij merkt de rechtbank op dat in maatregel van bewaring is opgenomen dat de inhoud van de informatiebrief mondeling met eiser is besproken met behulp van een tolk in de Amhaarse taal. Dat eiser de inhoud van de maatregel van bewaring door de wisseling van tolken niet heeft begrepen, wordt dan ook niet gevolgd.
Gronden van de maatregel
5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zal onderduiken.
Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten
grondslag liggen niet heeft betwist. Deze zware en lichte gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden kunnen de maatregel dragen, zodat het significante risico op onderduiken reeds daarmee is gegeven.
Vermelding plaats in M113
7. Eiser voert aan dat onduidelijk is waarom in de M113 genoteerd staat ‘plaats: Breda’, nu eiser aan Duitsland is overgedragen en een overdracht aan Duitsland niet via Breda kan plaatsvinden.
8. Verweerder heeft toegelicht dat ‘plaats’ in de M113 ziet op de plaats van ondertekening van dit document en dat de regievoerder de M113 heeft ondertekend in Breda. De rechtbank volgt dit en ziet hierin geen onrechtmatigheid.
Ambtshalve toets
9. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 21 mei 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.