ECLI:NL:RBDHA:2026:13011
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging in Libië
Eiser, een Libische nationaliteit dragende man, diende op 27 november 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Hij stelde dat hij in 2019 door een militie in Libië was gevangengenomen en gemarteld vanwege zijn sympathie voor oud-president Khadafi. Na zijn ontsnapping in 2020 verbleef hij in zijn geboorteplaats en werkte hij in een andere stad totdat hij in 2025 naar Nederland vluchtte.
Verweerder wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was dat eiser bij terugkeer gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade liep. Dit oordeel was gebaseerd op het feit dat eiser meerdere jaren zonder problemen in Libië verbleef na zijn gevangenschap, dat hij geen concrete aanwijzingen had voor actuele dreiging, en dat zijn familie ook geen problemen ondervond.
Eiser voerde aan dat hij wel degelijk bedreigd werd, onder meer via telefoontjes en social media, en dat hij gedwongen werd zich aan te sluiten bij de militie. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder terecht had geoordeeld dat deze vrees onvoldoende aannemelijk was, mede omdat de bedreigingen niet concreet konden worden onderbouwd en het verblijf in Libië zonder problemen was verlopen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft in stand.