ECLI:NL:RBDHA:2026:13029

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
C/09/697816 / FA RK 26-430
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 1:402 BWArt. 1:408 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling kinderalimentatie en opschorting bij uithuisplaatsing minderjarige

De vrouw verzocht de rechtbank om de kinderalimentatie voor hun minderjarige kind te verhogen, met ingang van 22 september 2025, naar €440 per maand en vanaf 1 januari 2026 naar €460,24. De man verzocht om afwijzing van het verzoek of een lagere bijdrage, met opschorting van de alimentatie tijdens de uithuisplaatsing van het kind.

De rechtbank nam kennis van de feiten, waaronder het geregistreerd partnerschap, de ontbinding, de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de minderjarige. De rechtbank stelde vast dat het kind sinds september 2025 feitelijk weer bij de vrouw woont. De behoefte van het kind werd vastgesteld op €657 per maand na indexering.

De draagkracht van de vrouw werd berekend op €392 per maand en die van de man op €752 per maand. De alimentatie werd naar rato van draagkracht verdeeld, waarbij de man een aandeel van €432 had. Na een zorgkorting van 5% werd het bedrag vastgesteld op €399 per maand. De rechtbank wees het verzoek af om betaling op een kinderrekening en bepaalde dat de alimentatie aan de vrouw moet worden voldaan.

Gezien de uithuisplaatsing van het kind werd bepaald dat de alimentatie vanaf het moment van feitelijke uithuisplaatsing wordt opgeschort. De beschikking wijzigt het eerdere hofbesluit en is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank stelt de kinderalimentatie vast op €399 per maand vanaf 22 september 2025 en schort de alimentatie op tijdens de uithuisplaatsing van de minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-430
Zaaknummer: C/09/697816
Datum beschikking: 21 april 2026

Alimentatie

Beschikking op het op 8 januari 2026 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.Z. Peters te Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.A.M. Ruys – van Essen te Holten.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift;
  • het bericht van 13 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
  • het bericht van 23 maart 2026, met bijlage, van de zijde van de man;
  • het bericht van 24 maart 2026, met bijlage, van de zijde van de vrouw.
De [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven over het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Op 24 maart 2026 heeft de kinderrechter de zaak op de zitting van deze rechtbank in de vorm van een
gecombineerde behandelingvan zowel onderhavig verzoek als het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling (C/09/698856 / JE RK 26-175) en tot het verlenen van een machtiging voor uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (C/09/701746 / JE RK 26-430) behandeld met gesloten deuren. Op laatstgenoemd verzoek wordt bij afzonderlijke beschikking beslist. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens Jeugdbescherming west Haaglanden (de gecertificeerde instelling).

Feiten

  • De vrouw en de man zijn op [datum 1] 2006 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Het geregistreerd partnerschap is ontbonden op [datum 2] 2015.
  • Zij zijn de ouders van de nog minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats].
  • [minderjarige] is erkend door de man.
  • De man en de vrouw zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
  • De vrouw en de man zijn tevens de ouders van de inmiddels meerderjarige [meerderjarige].
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 11 september 2014 is - voor zover hier van belang - de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken en bepaald dat de kinderen de hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben. Ook is een zorgregeling vastgelegd tussen de man en de kinderen en is bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen dient te voldoen van € 56,- per kind per maand.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 19 maart 2024 is bepaald dat de man met ingang van 1 mei 2023 aan de vrouw ten behoeve van [meerderjarige] en [minderjarige] telkens bij vooruitbetaling een kinderalimentatie dient te voldoen van € 666,- per maand.
  • De kinderrechter in deze rechtbank heeft [minderjarige] bij beschikking van 2 april 2024 opnieuw onder toezicht gesteld tot 2 april 2025.
  • De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 november 2024 een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 7 maart 2025.
  • De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 maart 2025:
 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 2 april 2026;
 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 3 maart 2025 tot 3 maart 2026;
 een voorwaardelijke machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp van 3 maart 2025 tot 3 juni 2025, onder de voorwaarden welke aan [minderjarige] in het aan die beschikking gehechte hulpverleningsplan zijn gesteld.
- Bij beschikking van het gerechtshof van 16 april 2025 is de beschikking van 19 maart 2024 ten aanzien van de kinderalimentatie vernietigd en is – voor zover hier van belang – bepaald dat de bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 19 maart 2024 op nihil wordt gesteld
- [minderjarige] woont, na verschillende plaatsingen op groepen, sinds september 2025 weer bij de vrouw.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt – met wijziging van de beschikking van het gerechtshof van 16 april 2025 – met ingang van 22 september 2025, de kinderalimentatie op € 440,- per maand en met ingang van 1 januari 2026 (vanwege de indexering) op € 460,24 per maand vast te stellen, telkens bij vooruitbetaling door de man te voldoen, althans op zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. Ook verzoekt de vrouw de rechtbank de proceskosten tussen partijen te compenseren.
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek en subsidiair het verzoek van de vrouw af te wijzen. Naar de rechtbank begrijpt verzoekt de man meer subsidiair te bepalen dat de man vanaf de datum van de beschikking een bedrag van € 376,- per maand aan de vrouw zal betalen voor de verzorging en opvoedingen van [minderjarige], althans een in goede justitie te bepalen bedrag en datum. Daarbij verzoekt de man, in het geval een bijdrage wordt vastgesteld, tevens in de beschikking op te nemen dat zijn bijdrage voor het levensonderhoud van [minderjarige] wordt beëindigd dan wel geschorst op het moment dat [minderjarige] feitelijk niet meer bij de vrouw woont, dan wel tijdelijk elders verblijft.

Beoordeling

Ontvankelijkheid
De vrouw beroept zich op het eerste van artikel 1:401 BW Pro. Dat sprake is van een wijzigingsgrond, is niet tussen partijen in geschil.
De rechtbank zal de vrouw daarom ontvangen in haar verzoek en overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de eerder in een rechterlijke uitspraak vastgestelde kinderalimentatie.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van Pro het BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Hierbij geldt in het algemeen dat de rechter van zijn bevoegdheid tot wijzing van de bijdrage met ingang van een datum gelegen vóór zijn uitspraak behoedzaam gebruik moet maken.
Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de wijziging van de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de man stelt dat [minderjarige] pas op 15 december 2025 weer op het adres van de vrouw is ingeschreven in de Basisregistratie Persoonsgegevens, is in het door de vrouw overgelegde verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling bevestigd dat [minderjarige] feitelijk vanaf september weer bij de vrouw is gaan wonen, zoals de vrouw heeft gesteld. Daarom zal de rechtbank de kinderalimentatie vaststellen met ingang van 22 september 2025.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] in 2024 is vastgesteld op € 617,- per maand en dat deze behoefte na indexering in 2025 € 657,- per maand bedroeg. Daarom zal de rechtbank met deze bedragen rekenen.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 470,- bruto per week, exclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van het gemiddelde weekloon, hetgeen de rechtbank heeft berekend door het cumulatieve brutoloon dat staat vermeld op de overgelegde salarisspecificatie van week 10 van 2026 te delen door 10 weken, aangezien er sprake is van een variabel loon. Net als de vrouw zal de rechtbank met dit inkomen rekenen om de draagkracht van de vrouw in 2025 te bepalen.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Anders dan de man stelt, ziet de rechtbank geen aanleiding om de zorgtoeslag die de vrouw ontvangt op te tellen bij haar inkomen voor het bepalen van haar draagkracht. De zorgtoeslag is een tegemoetkoming in de zorgkosten van de vrouw en is geen inkomen waarvan kan worden verwacht dat de vrouw het aanwendt om in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te voorzien. Daarom laat de rechtbank de zorgtoeslag in dit verband buiten beschouwing.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2025 op € 2.672,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [2.672 – (800 + 1.310)] = € 392,- per maand.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 54.268,- bruto per jaar. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgave 2025 van HS Tuinbouw Service (€ 35.553,-) en de jaaropgave 2025 van Saarlucon (€ 18.715,-).
Tussen partijen is geschil of rekening dient te worden gehouden met de ADV-toeslag die de man ontvangt van Saarlucon. Uit de door de man overgelegde brief van Saarlucon leidt de rechtbank af dat ADV weliswaar niet apart wordt uitbetaald, maar in het salaris is verwerkt. Nu de rechtbank uitgaat van de jaaropgave 2025 van Saarlucon, neemt de rechtbank op basis van het voorgaande aan dat de ADV-toeslag is verdisconteerd in het bruto jaarinkomen. Daarom zal de rechtbank niet apart rekening houden met de ADV-toeslag die op de salarisstroken van de man is vermeld.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 3.406,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [3.406 – (1.022 + 1.310)] = € 752,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.144,- per maand (€ 392,- + € 752,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 752 / 1.144 x 657 = € 432,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 392 / 1.144 x 657 =
€ 225,-
samen € 657,-
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 432,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 225,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Uit de stukken en dat wat partijen tijdens de zitting hebben verteld, is gebleken dat er momenteel geen contact is tussen [minderjarige] en de man omdat [minderjarige] heeft aangegeven hier geen behoefte aan te hebben. Ook is de rechtbank gebleken dat de man wel graag contact met [minderjarige] zou hebben en dat hij wenst dat hier in het kader van de ondertoezichtstelling ook aandacht aan wordt besteed. De rechtbank acht het onder deze omstandigheden redelijk om rekening te houden met een zorgkortingspercentage van 5%. Daarbij verwijst de rechtbank naar het Rapport Alimentatienormen, waarin is vermeld dat de zorgkorting tenminste 5% van de behoefte bedraagt en dat hier uitzonderingen op mogelijk zijn indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, diens verplichting tot omgang niet nakomt. In dit geval is hiervan geen sprake, nu duidelijk is geworden dat het ontbreken van contact tussen [minderjarige] en de man op dit moment is ingegeven door de wens van [minderjarige].
De zorgkorting bedraagt dan € 33,- per maand. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op het aandeel van de man. Dat betekent dat de man een bedrag van (432 -/- 33 =) € 399,- per maand moet betalen.
Kinderrekening
In artikel 1:408 lid 1 BW Pro is bepaald dat de kinderalimentatie wordt betaald aan de ouder die het kind verzorgt en opvoedt, dat wil zeggen aan de ouder bij wie het kind de hoofdverblijfplaats heeft. De wet biedt geen grondslag voor de rechtbank om te bepalen dat de kinderalimentatie op een kinderrekening wordt gestort. Het staat de ouders vrij om hierover in onderling overleg afspraken te maken. Voor zover de rechtbank bekend, ontbreekt op dit moment echter een afspraak met die strekking. Daarom zal de rechtbank, voor zover de man daartoe al een verzoek heeft gedaan, het verzoek afwijzen en bepalen dat de man de kinderalimentatie aan de vrouw dient te voldoen.
Conclusie
De rechtbank zal gelet op het voorgaande beslissen dat de man, met ingang van 22 september 2025, een kinderalimentatie voor [minderjarige] van € 399,- per maand moet betalen aan de vrouw.
Opschorting kinderalimentatie in geval van uithuisplaatsing
Omdat de rechtbank de gecertificeerde instelling bij beschikking van 24 maart 2026 een machtiging heeft verleend om [minderjarige] gedurende de dag en nacht in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te plaatsen en het aannemelijk is dat [minderjarige] binnen afzienbare tijd uit huis zal worden geplaatst, is op de zitting met de ouders gesproken over hoe dit zich verhoudt tot de kinderalimentatie. Zij zijn het erover eens dat de verplichting van de man om kinderalimentatie te betalen aan de vrouw er niet meer is op het moment dat [minderjarige] feitelijk uit huis wordt geplaatst. Gelet op deze overeenstemming zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging van de beschikking van het gerechtshof van 16 april 2025 – :
bepaalt de door de man met ingang van 22 september 2025 te betalen kinderalimentatie voor de [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats], op € 399,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
bepaalt dat de bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] vanaf het moment dat hij uit huis wordt geplaatst en voor de duur van de uithuisplaatsing, op nihil wordt gesteld;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, bijgestaan door
mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 21 april 2026.