ECLI:NL:RBDHA:2026:1305

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL26.2453
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing maatregel bewaring wegens onvoldoende noodzaak en lichter middel mogelijk

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was bedoeld om gegevens te verkrijgen voor de beoordeling van een asielaanvraag. De rechtbank constateerde dat de zware en lichte gronden voor bewaring niet waren betwist en dat er een risico op onttrekking bestond.

Eiser stelde dat hem was toegezegd dat hij de behandeling van zijn nieuwe asielaanvraag in vrijheid mocht afwachten, maar de rechtbank vond dat onvoldoende onderbouwd. Ook voerde eiser aan dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend was omdat hij zich aan zijn verplichtingen hield en het risico op onttrekking gering was. De rechtbank vond de verklaring van eiser over het missen van een vertrekgesprek aannemelijk en concludeerde dat de bewaring niet langer noodzakelijk was.

De rechtbank oordeelde dat detentie een ultimum remedium is en dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom geen lichter middel kon worden toegepast. Het beroep werd gegrond verklaard, de bewaring per 22 januari 2026 opgeheven, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en de minister veroordeeld in de proceskosten van €1.868,00.

Uitkomst: De maatregel van bewaring is per 22 januari 2026 opgeheven wegens het ontbreken van noodzaak en het bestaan van een lichter middel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2453

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [persoon A] ).

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.A. Fawzy. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft als zware gronden, bedoeld in artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden, bedoeld in artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb, vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. De zware gronden 3a en 3c en de lichte grond 4b, en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarmee is ook gegeven dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag, zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4011).
Gewekt vertrouwen
2. Eiser voert aan dat het vertrouwen is gewekt dat hij de behandeling van zijn nieuwe asielaanvraag in vrijheid mocht afwachten. Hij had de stukken voor die aanvraag op zak, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) had hem toegezegd dat hij met het oog op zijn nieuwe asielaanvraag tot half januari in de opvang mocht blijven en hij had een dagkaart van het COA gekregen voor de reis naar Ter Apel. Hij ging ervan uit dat hij gedurende de behandeling van zijn nieuwe asielaanvraag in een AZC zou mogen verblijven, zoals gebruikelijk is bij kansrijke aanvragen. Eiser zou op 14 januari 2026 afreizen naar Ter Apel om zijn nieuwe aanvraag in te dienen, maar werd een uur voor zijn vertrek aangehouden en werd in bewaring gesteld.
2.1.
De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Dat verweerder aan eiser de (expliciete) toezegging heeft gedaan dat hij de behandeling van zijn nieuwe aanvraag in vrijheid mocht afwachten, blijkt niet uit de stukken. De omstandigheden dat het COA eiser een OV-kaart heeft verstrekt en hem nog verdere opvang heeft aangeboden tot hij zijn nieuwe aanvraag zou indienen, en dat het gebruikelijk is gedurende een asielprocedure in een AZC te verblijven, zijn onvoldoende om te oordelen dat eiser ervan uit mocht gaan dat hij zijn asielprocedure in vrijheid mocht afwachten. Het COA is niet de instantie die beslist over een eventuele bewaring. Dat dit voor eiser niet duidelijk was, moet voor eisers rekening komen en kan niet aan verweerder toegerekend worden. Bovendien volgt uit de genoemde omstandigheden niet dat van vrijheidsbeneming geen sprake zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
3. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Hij voert aan dat hij zich aan al zijn verplichtingen houdt en dat er geen risico op onttrekking is. Ter zitting heeft hij verklaard dat de omstandigheid dat hij zonder afmelding niet is verschenen op het vertrekgesprek van 25 november 2025, komt doordat de uitnodiging per post te laat bij hem is binnengekomen. Toen hij de uitnodiging voor het vertrekgesprek ontving heeft hij (met een medewerker van het COA) direct gebeld met de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) om uitleg te geven waarom hij niet was verschenen. Vervolgens heeft op 8 december 2025 alsnog een vertrekgesprek plaatsgevonden. Uit het verslag van dit gesprek blijkt dat eiser niet was uitgenodigd maar uit zichzelf kwam en zei dat hij de eerdere uitnodiging niet had ontvangen. In het vertrekgesprek van 8 december 2025 heeft eiser voor het eerst gehoord dat er geen beroep was ingesteld tegen het nieuwe besluit dat verweerder had genomen op zijn aanvraag. Eiser heeft vervolgens contact opgenomen met zijn asieladvocaat en gebleken is dat deze een fout had gemaakt en de termijn om rechtsmiddelen in te dienen had laten verlopen. Eiser is daarop direct met zijn asieladvocaat en in overleg met het COA aan een nieuwe asielaanvraag gaan werken. Het heeft enige tijd geduurd om de daarvoor benodigde documenten te verzamelen en de vertaling van die documenten te regelen en op 13 januari 2026 heeft eiser een dagkaart van het COA ontvangen om naar Ter Apel te reizen voor het indienen van zijn nieuwe asielaanvraag. Ter onderbouwing van zijn verklaring heeft eiser op 21 januari 2026, kort voor de zitting, de hem verstrekte OV-kaart en een bericht van de noodopvang waar hij verbleef overgelegd.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in de maatregel deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding bestond een lichter middel toe te passen. Verweerder dient zich gedurende de bewaring de vraag te stellen of voortduring daarvan nog steeds noodzakelijk is. De rechtbank constateert dat eiser op (de dag van) de zitting nieuwe informatie heeft verschaft over zijn afwezigheid bij het vertrekgesprek van 25 november 2025 en zijn voorbereidingen op de indiening van zijn nieuwe asielaanvraag. Wat eiser verklaart over de vertrekgesprekken van 25 november en 8 december 2025 strookt met wat is vermeld in het verslag van 8 december 2025. Verder komt het de rechtbank niet onaannemelijk voor dat de voorbereiding van de nieuwe asielaanvraag enige tijd in beslag heeft genomen en dat eiser daardoor die aanvraag niet eerder kon indienen. Dit mede gelet op de feestdagen eind december. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen sprake van een plotselinge nieuwe asielaanvraag om uitzetting te frustreren, maar is het een ongelukkige samenloop van omstandigheden dat eiser op de dag dat hij naar Ter Apel zou afreizen om zijn nieuwe aanvraag in te dienen in bewaring is gesteld. Hoewel uit de bewaringsgronden die in rechtsoverweging 1.1. zijn besproken op zichzelf een risico op onttrekking volgt, wordt dit risico naar het oordeel van de rechtbank gerelativeerd door de aannemelijke verklaring van eiser over zijn afwezigheid bij het vertrekgesprek op 25 november 2025 en het overleg dat hij heeft gevoerd met het COA over het voortzetten van zijn opvang tot hij zou afreizen naar Ter Apel. Eiser was ervan uitgegaan dat hij de behandeling van zijn nieuwe aanvraag in een AZC zou kunnen afwachten en wil dat ook. De rechtbank constateert verder dat verweerder op de zitting niet heeft betwist dat eiser zich (met uitzondering van de misgelopen afspraak voor 25 november 2025) aan andere afspraken met DT&V en het COA en aan zijn meldplicht heeft gehouden. Gelet op dit alles, bezien in samenhang met de overige omstandigheden in deze zaak, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de bewaring nog steeds noodzakelijk is en dat er thans geen andere, minder ingrijpende, maatregelen mogelijk zijn om het (gerelativeerde) risico op onttrekking te ondervangen. De rechtbank benadrukt hierbij dat detentie een laatste redmiddel (ultimum remedium) moet zijn. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is per datum van deze uitspraak, te weten 22 januari 2026, onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag.
4.1.
Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht geen gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen omdat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel tot het moment van opheffen rechtmatig was.
4.2.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 22 januari 2026;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.