Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13080

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
C/09/698094 / FA RK 26-587
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wijziging zorgregeling en toewijzing vervangende toestemming hulpverlening in belang minderjarige

Partijen zijn gezamenlijk gezagdragers over hun minderjarige kind, waarbij de huidige zorgregeling sinds 2022 van kracht is. De vader verzoekt wijziging van de zorgregeling vanwege problemen bij de overdracht en verzoekt vervangende toestemming voor deelname aan een groepstraining. De moeder verzet zich tegen wijziging van de zorgregeling en verzoekt vervangende toestemming voor individuele therapie.

De rechtbank constateert een wijziging van omstandigheden, maar oordeelt dat de huidige zorgregeling in het belang van het kind is en dat een wijziging de spanningen tussen ouders niet zal verminderen. Daarom worden de verzoeken tot wijziging afgewezen. Wel wordt vervangende toestemming verleend voor zowel de groepstraining als de individuele therapie, waarbij de kosten van de therapie door beide ouders worden gedragen.

Daarnaast worden de ouders verwezen naar het hulpverleningstraject Parallel (solo) ouderschap om de communicatie en overdracht te verbeteren. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Verzoek tot wijziging zorgregeling afgewezen, vervangende toestemming hulpverlening toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-587
Zaaknummer: C/09/698094
Datum beschikking: 21 april 2026

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 20 januari 2026 ingekomen verzoek van:

[de vader]

,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.P. Slijkhuis te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder]

,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.G.M. van Gorkum te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 22 januari 2026 van de advocaat van de vader, met bijlage;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.
Op 24 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam], namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige].
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige], ingevolge de aantekening in het gezagsregister van 3 mei 2020.
- Bij proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding op de zitting van 2 september 2022 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
- de vader veroordeeld om [minderjarige] op zaterdag 2 september 2022 15.00 uur bij de moeder te brengen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat de vader in gebreke blijft met de nakoming van deze veroordeling;
- bepaald dat [minderjarige], in afwachting van een in de bodemprocedure te nemen beslissing, aan de moeder wordt toevertrouwd.
- Bij beschikking van 20 oktober 2022 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
- bepaald dat [minderjarige] de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder;
- bepaald dat [minderjarige] bij de vader zal zijn:
- week 1: van maandag tot woensdagochtend, waarbij de vader [minderjarige] woensdagochtend naar het kinderdagverblijf brengt en waarbij de vader [minderjarige] op maandag- en dinsdagochtend naar het kinderdagverblijf brengt en hem daar om 12.30 uur weer ophaalt;
- week 2: van maandag 12.30 uur tot woensdagochtend, waarbij de vader [minderjarige] maandag om 12.30 uur bij het kinderdagverblijf ophaalt en hem woensdagochtend weer naar het kinderdagverblijf brengt en waarbij de vader [minderjarige] op dinsdagochtend naar het kinderdagverblijf brengt en hem daar om 12.30 uur weer ophaalt en van zaterdagochtend 10.00 uur tot woensdagochtend, waarbij de moeder [minderjarige] zaterdagochtend naar de vader brengt en de vader [minderjarige] woensdagochtend naar het kinderdagverblijf brengt;
- bepaald dat vakanties en feestdagen om en om bij helfte worden verdeeld, dat de verjaardagen van de ouders alsmede Vader- en Moederdag bij de betreffende ouder gevierd worden en dat [minderjarige] bij bijzondere aangelegenheden van directe familie de betreffende dag bij de betreffende ouder is;
- vastgesteld dat partijen bij proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstraject Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie.

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht:
- te bepalen dat de volgende zorg- en contactregeling tussen partijen geldt:
- week 1: [minderjarige] is maandag tot en met woensdagochtend bij de vader. De vader brengt [minderjarige] naar school, de moeder haalt [minderjarige] uit school. Woensdagmiddag tot en met vrijdagochtend is [minderjarige] bij de moeder. De moeder brengt [minderjarige] naar school, de vader haalt [minderjarige] uit school;
- week 2: vrijdagmiddag tot woensdagochtend is [minderjarige] bij de vader. De vader brengt [minderjarige] naar school. Woensdagmiddag tot maandagochtend is [minderjarige] bij de moeder. De moeder brengt [minderjarige] naar school;
- vakanties en feestdagen worden om en om bij helfte verdeeld, alsmede de verjaardagen van de ouders, alsmede wordt Vader- en Moederdag bij de betreffende ouder gevierd en zal [minderjarige] aanwezig zijn bij bijzondere gelegenheden van directe familie op de betreffende dag dat hij bij de betreffende ouder is (vakantie- en feestdagenregeling is onveranderd en conform de beschikking);
- vervangende toestemming te verlenen aan de vader voor aanmelding van [minderjarige] voor [groepstraining];
- te gelasten dat de moeder de vast te leggen zorg- en contactregeling stipt nakomt, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere keer dat de moeder nalatig is om de door de rechtbank vast te leggen zorg- en contactregeling na te komen, met een maximum van € 5.000,- per dag dan wel een bedrag door de rechtbank te bepalen;
- althans te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en onder compensatie van proceskosten.
De moeder heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de moeder zelfstandig verzocht:
  • te bepalen dat vervangende toestemming wordt verleend voor individuele kindgerichte therapie bij [zorginstantie], waarbij de kosten door de vader en de moeder gezamenlijk worden gedragen;
  • te bepalen dat tussen de vader en [minderjarige] een zorgregeling zal gelden van elke zondag 10.00 uur tot woensdagochtend 08.30 uur, alsmede de helft van alle vakanties en feestdagen;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

Beoordeling

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Juridisch kader
Aangezien de ouders gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag over [minderjarige] is artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing op het verzoek tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling). Uit het vierde lid van artikel 1:253a BW volgt dat artikel 1:377e BW van overeenkomstige toepassing is, zodat de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het is de rechtbank, gelet op het vijfde lid van artikel 1:253a BW, niet gelukt om een vergelijk tussen de ouders te beproeven. De rechtbank neemt daarom een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Ontvankelijkheid
De vader heeft aangevoerd dat sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds de beschikking van 22 oktober 2022, omdat de zorgregeling niet goed loopt. Hij heeft gesteld dat de moeder [minderjarige] structureel te laat bij de vader brengt. Daarbij heeft de moeder [minderjarige] in het weekend van 5 april 2025 niet naar de vader gebracht, waardoor de vader dat hele weekend geen contact met [minderjarige] heeft gehad. Ook heeft de vader aangegeven dat de overdracht op zaterdag veel spanning bij [minderjarige] veroorzaakt. De moeder heeft betwist dat sprake is van een wijziging van omstandigheden.
Gelet op wat door de vader is aangevoerd en nu [minderjarige] inmiddels naar school gaat, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De rechtbank zal partijen daarom ontvangen in hun verzoeken.
Standpunt vader
De vader heeft verzocht om een wijziging van de reguliere zorgregeling, in die zin dat het wisselmoment in de tweede week wordt gewijzigd van zaterdag 10.00 uur naar vrijdag naar en uit school. De vader maakt zich zorgen over de communicatie van de moeder over de zorgregeling. De vader heeft aangegeven dat de moeder zich negatief over hem uitlaat in het bijzijn van [minderjarige]. Als de overdracht via school verloopt, hoeft er minder communicatie tussen de ouders te zijn waardoor de overdracht voor [minderjarige] beter verloopt.
Standpunt moeder
De moeder heeft zich verzet tegen een wijziging van de zorgregeling. De moeder heeft gesteld dat de zorgregeling momenteel goed loopt en zij de zorgregeling nakomt. De moeder heeft erkend dat [minderjarige] soms moeite heeft met de overdracht, maar zij heeft erop gewezen dat de omgang altijd plaatsvindt. Daarbij heeft de moeder aangegeven dat zij het belangrijk vindt dat de zorgregeling blijft zoals deze is, omdat deze regeling al jaren hetzelfde is en het werk van de moeder ook op deze regeling is afgestemd. Bovendien is er slechts één moment in de twee weken waarbij de ouders elkaar kort zien. Voor [minderjarige] is het goed om te zien dat zijn ouders in staat zijn om het contact over hem samen vorm te geven. Ook kunnen de ouders tijdens de overdracht berichten over [minderjarige] mondeling aan elkaar overbrengen. Zonder een fysieke overdracht moet alle communicatie tussen de ouders via de e-mail, wat tot discussies zal leiden. Verder heeft de moeder aangevoerd dat de door de vader voorgestane wijziging van de zorgregeling ten koste zou gaan van de tijd die de moeder met [minderjarige] kan doorbrengen. Als in deze procedure, anders dan de moeder meent, de zorgregeling toch wordt gewijzigd, dan dient volgens haar een zorgregeling te worden bepaald waarbij [minderjarige] elke zondag van 10.00 uur tot woensdag 08.30 uur bij de vader verblijft. In deze voorspelbare regeling zijn er minder wisselingen voor [minderjarige]. Ook ziet [minderjarige] zijn vader en moeder dan steeds een vast aantal dagen achter elkaar.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat de ouders moeite hebben met het maken van duidelijke afspraken en dat de onderlinge communicatie niet optimaal is. Daarbij constateert de rechtbank dat er spanningen zijn tussen de ouders bij de overdracht. [minderjarige] krijgt dat mee. Positief is wel dat partijen het allebei belangrijk vinden dat daar verbetering in komt. De rechtbank geeft de ouders mee dat het van belang is dat zij – eventueel met hulpverlening – ervoor zorgen dat de overdracht in het belang van [minderjarige] zonder spanningen verloopt. De rechtbank ziet echter dat de zorgregeling over het algemeen wordt uitgevoerd zoals bepaald in de beschikking van 20 oktober 2022. [minderjarige] is ook gewend aan deze regeling, die inmiddels een paar jaar en dus al een aanzienlijke tijd loopt. Bovendien is onvoldoende gebleken dat de spanningen voor [minderjarige] dermate zijn dat de zorgregeling nu moet worden gewijzigd. In dit kader overweegt de rechtbank ook dat een wijziging van de zorgregeling de spanningen tussen de ouders niet wegneemt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een wijziging van de zorgregeling niet in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank zal de verzoeken van de vader en de moeder ten aanzien van de zorgregeling daarom afwijzen.
Dwangsom
De rechtbank ziet geen aanleiding om overeenkomstig het verzoek van de vader een dwangsom op te leggen.
Parallel (solo) ouderschap
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal deze beschikking per post zenden aan het Kenniscentrum Kind en Scheiding. De rechtbank zal de ouders bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.
Vervangende toestemming hulpverlening
Juridisch kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Het is de rechtbank, gelet op het vijfde lid van artikel 1:253a BW, niet gelukt om een vergelijk tussen de ouders te beproeven. De rechtbank neemt daarom een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Standpunt vader
De vader heeft verzocht om hem vervangende toestemming te verlenen voor de aanmelding van [minderjarige] voor [groepstraining]. De vader heeft gesteld dat het gelijktijdig volgen van twee hulpverleningstrajecten voor [minderjarige] te veel zou zijn. De vader acht het passend om [minderjarige] één traject te laten volgen om rust te creëren. Daarbij heeft de vader aangegeven dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij kan deelnemen aan [groepstraining], zoals ook is geadviseerd door Veilig Thuis. Deze hulpverlening is ontwikkeld voor kinderen in een scheidingssituatie en zal [minderjarige] helpen om op een laagdrempelige en voorspelbare manier emoties te verwerken, vaardigheden te ontwikkelen en spanning rondom de thuissituatie te verminderen.
Standpunt moeder
De moeder heeft zich verzet tegen de door de vader verzochte vervangende toestemming voor [groepstraining] en heeft verzocht om vervangende toestemming voor individuele kindgerichte therapie bij [zorginstantie] voor [minderjarige], waarbij de kosten door de ouders gezamenlijk worden gedragen. De moeder heeft gesteld dat [groepstraining] niet aansluit bij de behoeften van [minderjarige], omdat hij één jaar was toen de ouders uit elkaar zijn gegaan en bij [minderjarige] geen emoties spelen die zijn gerelateerd aan de scheiding. Zij heeft aangegeven dat [minderjarige] klachten ervaart die vragen om individuele aandacht, zoals buikpijn na wisselmomenten en moeite met inslapen. De moeder staat daarom individuele therapie bij [zorginstantie] voor [minderjarige] voor.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat [minderjarige] klachten heeft, maar onduidelijk is wat de oorzaak is van deze klachten. Wel staat vast dat [minderjarige] spanning ervaart door de verstoorde verstandhouding tussen de ouders. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat hij zowel kan deelnemen aan [groepstraining] als aan de therapie bij [zorginstantie], zodat hij aan zijn klachten kan worden geholpen. Gelet hierop en om praktische problemen te voorkomen, zal de rechtbank voor beide hulpverleningstrajecten de verzochte vervangende toestemming verlenen. Tussen partijen is in geschil welk traject als eerst moet worden gevolgd. De rechtbank overweegt dat de kosten voor de therapie bij [zorginstantie] niet vergoed worden en door de ouders zelf moeten worden gedragen. Dit is bij [groepstraining] niet het geval. Daarbij heeft de moeder op de zitting aangegeven dat zij zich er niet tegen verzet dat [minderjarige] eerst [groepstraining] volgt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [minderjarige] eerst zal deelnemen aan [groepstraining] en dat de therapie bij [zorginstantie] pas wordt ingezet als [groepstraining] niet voldoende blijkt te zijn en de hulpverlening dit ook in het belang van [minderjarige] acht. Dit leent zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervan uit dat de ouders dit zullen nakomen. Verder acht de rechtbank het redelijk dat de kosten voor de therapie bij [zorginstantie] door de ouders ieder voor de helft worden gedragen. De rechtbank zal aldus beslissen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
verleent toestemming aan de vader – welke toestemming die van de moeder vervangt – ten behoeve van de aanmelding van [minderjarige] voor [groepstraining];
verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – ten behoeve van de aanmelding van [minderjarige] voor individuele kindgerichte therapie bij [zorginstantie], waarbij de kosten van deze therapie door de ouders ieder voor de helft worden gedragen;
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader]
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de moeder]
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Parallel (solo) ouderschap, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 21 april 2026.