ECLI:NL:RBDHA:2026:13111

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
AWB 26/5064
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 78 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting wegens niet tijdig bekendgemaakt besluit

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 oktober 2023 waarin zijn verblijfsrecht werd beëindigd en hij ongewenst werd verklaard. De minister wilde het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren wegens te late indiening. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat het besluit niet op juiste wijze aan verzoeker is bekendgemaakt, omdat het naar zijn voormalige advocaat is gestuurd die zich had onttrokken en niet wist waar verzoeker verbleef.

Daardoor is de bezwaartermijn pas aangevangen op het moment dat verzoeker daadwerkelijk met het besluit bekend werd, namelijk op 22 januari 2026. Het bezwaar van 23 januari 2026 is daarmee tijdig en ontvankelijk. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe, waardoor verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het bezwaar is beslist. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker. De uitspraak is gedaan zonder zitting vanwege onverwijlde spoed en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.

Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op zijn bezwaar tegen het besluit is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/5064

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J. van Koesveld),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, hierna te noemen: de minister.
(gemachtigde: M. Weerman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 18 oktober 2023. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat onverwijlde spoed dit vereist (het voornemen is om verzoeker op
27 april 2026 uit te zetten naar Polen), doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
1.2.
In het besluit van 18 oktober 2023 heeft de minister het verblijfsrecht van verzoeker beëindigd en hem ongewenst verklaard. Verzoeker heeft hiertegen op
23 januari 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verzoeker niet mag worden uitgezet tot is beslist op zijn bezwaar.
3. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat het besluit van
18 oktober 2023 niet op juiste wijze bekend is gemaakt en dat verzoeker tijdig bezwaar tegen dit besluit heeft gemaakt. Daartoe is het volgende van belang.
3.1.
Verzoeker heeft op 9 maart 2023 het voornemen van de minister gekregen om zijn verblijfsrecht te beëindigen en hem ongewenst te verklaren. Verzoeker werd toen bijgestaan door een advocaat, mr. Nijholt. Mr. Nijholt heeft namens verzoeker een zienswijze op het voornemen ingediend. Vervolgens heeft de minister het besluit van 18 oktober 2023 naar het kantoor van mr. Nijholt gestuurd. Op 24 oktober 2023 heeft mr. Nijholt aan de minister laten weten dat hij zich onttrekt als advocaat en hij niet weet waar verzoeker verblijft.
3.2.
Met verzending naar mr. Nijholt is het besluit van 18 oktober 2023 niet op juiste wijze bekend gemaakt. Het besluit heeft verzoeker namelijk niet bereikt. Het bericht van mr. Nijholt van 24 oktober 2023 had de minister indertijd aanleiding moeten geven om het besluit op een andere manier bij verzoeker kenbaar te maken. Dit is niet gebeurd.
3.3.
Het besluit van 18 oktober 2023 is dus niet op de voorgeschreven wijze aan verzoeker bekendgemaakt. De bezwaartermijn is daarmee aangevangen vanaf het moment dat verzoeker alsnog met dat besluit bekend is geworden. Blijkens het dossier is dit op
21 januari 2026 geweest. Dat betekent dat de bezwaartermijn is aangevangen op
22 januari 2026. Gelet daarop heeft verzoeker zijn bezwaarschrift van 23 januari 2026 tijdig ingediend en is het bezwaar ontvankelijk. Het standpunt van de minister dat het bezwaar niet-ontvankelijk zal zijn en dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, volgt de voorzieningenrechter dus niet. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt derhalve toegewezen.
3.4.
Gelet op de complexiteit van de zaak zal de voorzieningenrechter geen toepassing geven aan artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoeker niet mag worden uitgezet tot is beslist op zijn bezwaar gericht tegen het besluit van 18 oktober 2023.
5. De minister moet een proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat verzoeker niet mag worden uitgezet tot is beslist op zijn bezwaar gericht tegen het besluit van 18 oktober 2023;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.